01-02-07

bijeenkomst januari 2007

Uitnodiging

Beste leden,

                    Graag wil het bestuur van Noorderkroon-Achel jullie allemaal uitnodigen voor de tweede bijeenkomst van 2007. We voeren weerom een open agenda, maar weten nu al dat er weer heel interessante vragen gesteld zullen gaan worden. Aan ons om deze te beantwoorden! Aan inspiratie zal het zeker niet ontbreken!

 

We komen samen op 10 februari om 20.15u in de Joy. Welkom!

 

Het bestuur.

 

 

Uitnodiging kijkavonden.

 

Op 17 februari gaat Noorderkroon de grenzen verleggen! We gaan naar Bocholt om een plaatselijke vereniging in te wijden in de sterrenkunde. Het zal elementair zijn, maar daarom niet minder leuk.  We gaan de sterrenbeelden aantonen, we gaan de elementaire bewegingen aan de hemelbol uitleggen en aantonen, kortom…we gaan sterrenkunde promoten buiten onze dorpsgrenzen. We nemen de kijker van de kring mee, ter ondersteuning en als het weer tegenzit maken we gebruik van de beamer en geven een voorstelling “Starry Nights”. Je merkt…..hoe het weer ook zal zijn, er is altijd iets te beleven. Het is een activiteit voor jong en oud, dus….meedoen is de boodschap!

 

Onder de noemer “Sterrenzoektocht”zal deze activiteit plaatsvinden in de Smeetshof te Bocholt. De aanvang is voorzien om 20.00u en zal duren tot 22.00u. Allen op post voor deze buitenactiviteit!!!

 

Heldere nachten!

 

 


Verslag bijeenkomst 27 januari ’07

 

Administrativa.

 

1.       Nacht van de duisternis

de “Bond Beter Leefmilieu” heeft de stad verzocht op 3 maart een activiteit op te starten i.v.m. de “nacht van de duisternis”. Die avond vindt er ook een totale maansverduistering plaats.

Natuurpunt, VEN, en de Noorderkroon werken samen aan een gemeenschappelijk programma,  maar de Noorderkroon heeft ruim een half jaar geleden al afgesproken om die avond te Bocholt  aanwezig te zijn als assistentie bij de “Rinkelnacht”. Een activiteit die diezelfde avond doorgaat en in het kader staat van de maansverduistering.

We zullen ons dus moeten opsplitsen en alles goed afstemmen om beide activiteiten te doen slagen.

Hopelijk mogen we die avond veel leden begroeten bij de sterrenwacht omdat er een 2-tal leden richitng Bocholt zullen trekken.

2.       Jaarlijkse reis

Omdat het planetarium te Brussel op zaterdag zijn deuren sluit is een alternatief gezocht. De reis wordt nu een 2 uur durende boottocht op de Biesbos en een bezoek aan het museum en de sterrenwacht van Utrecht. (stichting de koepel) In Utrecht wordt de zon onderzocht met speciale meetapparatuur, waarvan er maar 3 in de wereld zijn gebouwd. De alternatieve reis wordt dus nog interessanter dan de oorspronkelijk. Iedereen zal zeer binnenkort de uitnodiging ontvangen met alle details.

Onderwerpen: Open agenda

1.      Mijn barometer geeft 2 verschillende drukken aan. Wat is het verschil?

2.      Hoe worden de Higgs deeltjes gedetecteerd?

3.      Wat zijn de baanelementen van de stereo zonnesatellieten?

4.      Waarom verlengen de dagen na de winter niet even snel?

5.      Afsluiting.

 

 

1- De luchtdruk wordt gemeten met een barometer. De meeste barometers hebben aanduidingen als "mooi", "bestendig", "veranderlijk", "regen" en "storm". Het weer kan echter heel anders zijn dan de barometer aanwijst. Die vermeldingen dateren uit vorige eeuwen, toen er nog weinig bekend was over het verband tussen het weer en de luchtdruk. Een hoge druk betekent niet altijd zonnig weer. Het kan dan ook mistig zijn of regenen. Omgekeerd kan het in een lagedrukgebied zonnig, droog en rustig weer zijn. Het hangt er vooral vanaf waar het centrum van het drukgebied ten opzichte van het land ligt. Uit onderzoek naar het verband tussen de barometerstand en het weer blijkt dat in 80% van de gevallen een stijgende luchtdruk tot een weersverbetering leidt en een dalende luchtdruk tot slechter weer

Op veel huisbarometers is nog een schaalverdeling in millimeters kwik te vinden. Deze schaal is eenvoudig om te rekenen in hectopascal door die getallen met 1,33 te vermenigvuldigen. De gemiddelde atmosferische druk is 76cm Hg = 1013 hPa = 1 atmosfeer.

De eenheid van druk is die van kracht (Newton in SI) per oppervlakte-maat (vierkante meter m² of een afgeleide daarvan.) Gezamenlijk heet tegenwoordig de nieuwe internationale eenheid Pascal.  1 Pa = 1 N/m2. Een druk van 0 Pa (absoluut) is het welbekende vacuüm.

 

 

2- Een deeltjesversneller is een apparaat waarin geladen elementaire deeltjes of (anti)protonen (onderdelen van atomen) tot hoge energieniveaus gebracht worden door ze te versnellen tot snelheden vergelijkbaar met de lichtsnelheid. Dit versnellen gebeurt met behulp van sterke elektrische velden.

Men zou alledaagse apparaten als de televisie en de computermonitor kunnen opvatten als kleine deeltjesversnellers (met energieniveaus van ongeveer 30 keV), evenals apparaten voor het opwekken van röntgenstraling.

Om de kleinste bouwstenen van materie en antimaterie te bestuderen worden zeer grote deeltjesversnellers gebruikt. Er valt een onderscheid te maken tussen lineaire versnellers en magnetische versnellers. Bij de laatste worden de deeltjes door de lorentzkracht van een sterk magnetisch veld in een cirkelvormige baan gedwongen. Magnetische versnellers worden nog onderscheiden in cyclotrons, betatrons en synchrotrons.

Synchrotrons zijn cirkelvormige deeltjesversnellers met diameters tot enkele kilometers. Hiermee kunnen zeer hoge energieniveaus bereikt worden. Voorbeelden hiervan zijn de synchrotrons van het Fermilab en het CERN.


Hoe de resultaten worden gemeten en geïnterpreteerd is te diepgaand voor onze groep. Hiervoor zijn gespecialiseerde teams van hooggeschoolde wetenschappers nodig.

 

 

 

Sat 1

Sat 2

Aarde

3- De baangegevens van de zonnesatellieten uit het in de vorige bijeenkomst besproken “stereo project” waren niet gekend en Dirk was niet overtuigd dat de satellieten in willekeurige banen konden blijven opereren. Hij is daarom zelf op onderzoek gegaan naar de baanelementen en bevestigde hiermee zijn vermoeden. Als de banen zich buiten deze van de aarde bevinden kunnen de satellieten onmogelijk op hun locatie worden gehouden. Hij kwam er achter dat beide satellieten zich op 22° voor en achter de aarde bevinden en absoluut niet in dezelfde baan als de aarde bewegen. De afstand tot de zon is voor satelliet 1 kleiner en voor satelliet 2 groter.

 

Volgens de wetten van Keppler zal satelliet 1 vooruitlopen op de aardse beweging en satelliet

2 zal achterblijven. De aanwezige stuurraketjes zijn niet in staat om de constante afwijking op te vangen. Ze zullen dus beiden na 1 jaar bijna 45° verder uit elkaar zijn gedreven en na 2 jaar bijna 90°. Na 2 jaar zal het 3D effect minimaal zijn en nog onvoldoende resultaat opleveren. Hiermee wordt duidelijk waarom deze toch vrij dure operatie slechts voor een periode van 2 jaar als operationeel is gepland.

 

 

 

4- Na de zonnewende op 21 december zullen de dagen weer langer en de nachten weer korter worden. Wat opvalt is dat de zon de eerste periode na 21 december inderdaad langzaam iets later ondergaat, maar dat de tijd van opkomst ’s morgens in eerste instantie nog steeds toeneemt. Het duurt tot begin januari vooraleer de zon ook ’s morgens eerder opkomt.

De oorzaak moet worden gezocht in de elliptische baanbeweging van de aarde.

De aarde bevindt zich, als het wintert op het noordelijk halfrond, het dichtst bij de zon. Op 21 december is de afstand het kortst. (perihelium). Volgens de perkenwet van Keppler heeft de aarde dan de grootste baansnelheid en verplaatst zich tijdens een rotatie om haar as verder over haar baan. De afstand CD wordtin dezelfde tijd afgelegd als de afstand AB.

Om na 1 omwenteling bij de grotere verplaatsing CD terug de zon te zien opkomen, moet de aarde dus nog een klein beetje verder om haar as gedraaid zijn. Hierdoor duurt het nog iets langer voor de zon ’s morgens weer op komt

 

.

 

 

5- Alvorens de bijeenkomst af te sluiten kregen we nog even een kort verslag over een tocht van een van onze leden naar de Noordkaap. De Noordkaap is een kale onherbergzame streek. Het is de uiterste punt van het begaanbare vaste land in het hoge noorden ver boven de poolcirkel.

Hij maakte deze uitstap, genoot onderweg van het noorderlicht en kreeg de (vrijwel unieke) kans te genieten van de middernachtzon die in het noorden laag over de horizon bewoog. De zon gaat boven de poolcirkel in de zomer niet helemaal onder, maar dat is geen garantie dat men ze daarom ’s nachts ziet,want  in het noorden heersen vaak barre weersomstandigheden.

 

J.H

 

Kwartaalagenda

                             

Maart 2007.

Studiebijeenkomst: 1e intitiatieavond op:  17 maart in de Joy. Aanvang 20.00u

Publicatie in de Printer, de vrijetijdskrant, op de website.

 

Kijkavond: In Bocholt aan de bibliotheek op 3  Maart “Rinkelnacht”  Maansverduistering. (22.45u totaal verduisterd.) Maansverduistering met animatie. Aanvang om    ?u.  Noorderkroon zorgt voor  uitleg tijdens het gebeuren met de kijker van Mauritius. Indien slecht: vervangprogramma met beamer en pc.

 

3 Maart 2007 ; de Nationale sterrenkijkdagen:

 

Zoals gezegd, we gaan dit jaar een tandje hoger. Op 3 maart zullen we beide activiteiten laten doorgaan. programma zal nog volgen!

 

 

 

18:55 Gepost door LBe in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

31-12-06

Verslag Algemene Ledenvergadering december 2006

Administrativa.

 

Iedere kring heeft leden en leden betalen lidgeld, ook zo Noorderkroon-Achel. Voor 2007 zal het bestuur naast het gewone lidmaatschap een Gezinsabonnement aanhouden. Een korte toelichting: Twee leden van een gezin zijn betalend lid; rest van gezin is gratis. Nieuw is ook dat we vanaf 2006 lidkaarten gaan uitgeven. Na storting van het lidgeld zal men een lidkaart (of een gezinskaart) ontvangen.

Tarieven:

Lidgeld 2007  =  volwassen              = 15.00 €

Lidgeld 2007  =  jeugd (-12j)            =   7.50 €

Lidgeld 2007  = Gezinsabonnement = 2 betalende leden =

Voorbeeld gezinsabonnement: 22.50 €( 1 volwassen en 1 jeugd)

 30.00 € ( 2 volwassenen)

 15.00 € ( 2 jeugdigen)

 

Weet dat bij een gezinsabonnement er steeds twee betalende leden zijn (zie bovenstaande combinaties). Eventueel andere leden van hetzelfde gezin zijn automatisch lid. Lidgelden kunnen voldaan worden bij de penningmeester tijdens de bijeenkomsten of via overschrijvingen op rekeningnummer (zie blad nuttige informatie op pagina 2 van dit blaadje)

 

 

 

 

HEEL BELANGRIJKE OPROEP AAN ALLE LEDEN.

 

Tijdens de algemene ledenvergadering kwam een heel goede vraag naar voren: Is vergaderen op zaterdagavond wel verstandig? M.a.w. Zou het wel eens kunnen dat de lage opkomst van de leden iets te maken heeft met de gekozen dag? Een heel goede vraag! We keken even heel ver terug en wisten dat we in het prille begin van de vereniging altijd vergaderde op een vrijdag. Op een gegeven moment zijn we verschoven naar de zaterdag, maar tijden veranderen. Misschien moeten we mee veranderen, vandaar deze dringende oproep naar alle leden.

 

Heel graag  zou het bestuur weten welke dagen de voorkeur hebben bij de leden om de studievergaderingen te laten doorgaan.  Graag zagen we jullie reacties toekomen aan het secretariaat en dat kan via SMS-je naar 0494 299 513 , een mailtje naar lambert.belien@hotmail .com of heel simpel via de “mail me”-knop op onze website http://noorderkroon.skynetblogs.be/ . Je kan daar de dag van voorkeur opgeven en misschien een korte reactie op deze vraag?

 

Als we met z’n allen de schouders onder deze vraagstelling zetten kunnen ze alleen maar winnen; meer opkomst tijdens de meetings en onmiddellijk gevolg van het vorige: nog meer interessante onderwerpen en diversiteit.

 

Nu al bedankt voor jullie inzet!!

 

De algemene Ledenvergadering van 2006.

 

We hebben de algemene ledenvergadering ietsje later van start laten gaan met een welkomstwoordje van de voorzitter, gevolgd door een klinkende eindejaarspeech. Vervolgens kregen we het kasverslag, het jaarverslag, vlaai in overvloed en een frisse pint(-en) Na de formele taken hebben we enkele openstaande vragen beantwoordt. Van de meeting in november herinneren we dat Mark Smits zich afvroeg van LHC-Higgsdeeltjes eigenlijk voorstelde. De voorzitter had iets vernomen over twee satellieten die om de zon 3D-opnames gingen maken. We gaan het rijtje even af…..

 

Speech voorzitter:

 

Beste Noorderkroners,  het jaar 2006 loopt weer op zijn einde en we kijken terug op een jaar waarin we zeer weinig kans hadden om naar de sterren te kijken. Soms waren en wel mooie nachten, maar dan waren wij er niet om te kijken. Op die dagen welke we geprogrammeerd hadden was het altijd slecht weer. Toch hebben we er de moed ingehouden met de gedachte het weer zal wel beteren, want slechter kan toch niet.

Ondertussen hebben we niet stil gezeten en na de vakantie zijn de maandelijkse studiebijeenkomsten weer gestart. Met de verandering in de formule van vergaderen hebben we tot algemene voldoening uitstekende bijeenkomsten gehad, waarin iedere aanwezige zijn vragen kwijt kon en waarin we samen tot goede oplossingen konden komen.  Alleen vind ik het jammer dat er zo weinig aanwezigen waren tijdens deze bijeenkomsten. Maar laat ons optimistisch blijven, want ik geloof zeker dar vele van onze leden talrijker naar deze vergaderingen zullen komen als ze weten dat de bijeenkomsten zeer leerrijk zijn en er altijd iets te vertellen valt over iets dat we nog niet wisten. Ik wens dan ook Lambert van harte proficiat voor de geslaagde formule van vergaderen die hij heeft  gekozen en we hopen dat deze tot ieders voldoening zo nog lang kan doorgaan.

De jaarlijkse reis rond Pasen was ook weer zeer geslaagd en we bedanken Jan voor het vele werk dat er nodig was om deze voor te bereiden. Onze natuurwandeling op het planetenpad mogen we ook niet vergeten en deze zal in de toekomst weer op het programma kunnen staan ( met meer deelnemers als het mogelijk is). De kijkavond van 17 November was een succes, dank zij de geautomatiseerde kijker van Lambert, die we in actie zagen. Eigenlijk is het niet te vertellen met welke een precisie en snelheid de opgevraagde objecten te zien waren. U zult het zelf moeten komen beleven en het  is zeker weer een grondige reden om naar onze kijkavonden te komen. Dan zijn er nog de geplande initiatieavonden waarin we in het voorjaar onze vereniging zullen voorstellen en waarschijnlijk zullen er dan misschien meer leden bij ons aansluiten.

 

Mag ik dan besluiten met de gedachte dat het ondanks het slechte weer een uitzonderlijk jaar is geworden voor onze kring. Laten we zo verder gaan naar een mooie toekomst voor onze kring.

 

Veel geluk in het jaar 2007, dat wens ik U allen, Uw voorzitter, Lambert Breemans.

 

 

 

Kasverslag Penningmeester.

 

Jan bracht een gedetailleerd kasverslag en ja, hoor……weerom een positieve balans. Jan liet alle aanwezigen het verslag zien, We hadden van een penningmeester, kaliber Jan Hermans, niets anders verwacht. Jan, bedankt voor het vele werk dat je het afgelopen jaar verzet hebt….Goed gewerkt , Jan!!

 

Jaarverslag 2006.

 

Beste Noorderkroners, We zitten weer in de donkere dagen…..stilaan de hoogste tijd om het werkjaar 2006 af te sluiten met een algemene ledenvergadering. Traditioneel krijgen jullie een kort jaarverslag, een overzicht van datgene we afgelopen jaar uitgespookt hebben.

 

Jan Hermans sloot vorig jaar af met een uiteenzetting:

December 2005:  Gammaflitsen door Jan Hermans

Januari 2006:      Een dynamische aarde door de voorzitter.

Februari 2006:    Exoplaneten door LBe

Maart 2006:         Bezoek VVS-bestuur en botsende sterrenstelsels en de nationale sterrenkijkdagen

April 2006:           Noorderkroon-uitstap naar Kanne -  Margraten -  Wylre – Heerlen (explorion)

Mei 2006:             Uitzonderlijk op vrijdag: een bezoek aan Aquila Lommel; Reisverslag Nico de Jongh en Kometen, evolutie aan de rand door LBe

Juni 2006:            Sterrenkijken, een handleiding door LBe en een avondwandeling.

Juli 2006:             vakantiestop

Augustus 2006:    vakantiestop tot 11 augustus Perseiden die volledig in het water vielen.

September:           een nieuwe aanpak; de open agenda

  • Pluto LBe
  • 22˚ JHe
  • Rand van het heelal MSm

Oktober:               open agenda met:

  • Is de aarde rond?  AMo
  • GRSII LBe
  • Neutronensterren-zwarte gaten MSm

November 2006:    open agenda met:

  • LHC-detectoren zien CMS-Higgs deeltjes   MSm
  • Twee nieuwe kunstmanen rond de zon LBr
  • CCD-camera; hoe werkt dat JBe
  • Kleurschakeringen TvH

De eerste (en als ik me niet vergis…de enige) geslaagde kijkavond dit afgelopen jaar. We keken met de 25 cm Cassegrain. Omstandigheden niet optimaal.

December 2006: Algemene ledenvergadering met:

  • Kasverslag  JHe
  • Jaarverslag LBe
  • Eindejaarspeech  LBr
  • LHC-detectoren zien CMS-Higgs deeltjes, de uitleg door   MSm
  • Twee nieuwe kunstmanen rond de zon LBr, de uitleg door JBe

 

Besluiten kunnen we door te stellen dat 2006 enkele verrassingen meedroeg; een absoluut hoogtepunt was de hernieuwde verbroedering met Aquila, iets wat we zeker zullen blijven onderhouden. Een absoluut dieptepunt waren de kijkavonden. Nog nooit hadden we zovele nachten op rij slecht weer voorspelt. Keer op keer, niet alleen de vrijdagen, maar ook de zaterdagen. Enig positief gegeven aan dit feit is dat als het dan toch eens lukt…….

 

Op bestuursvlak zijn we afgelopen jaar druk bezig geweest dingen voor te bereiden die we komend voorjaar in de praktijk gaan brengen. Ik spreek met name over enkele publieke initiatieavonden die we in het voorjaar gaan houden. Hou je agenda in de gaten, de eerste avond valt al in het eerste kwartaal. In dat zelfde kwartaal gaan we onze dorpsgrenzen verleggen en gaan tijdens enkele gebeurtenissen sterrenkundige versterking geven in Bocholt. Zeker niet te missen, de uitnodigingen zal je op tijd binnen hebben. We hopen dat deze initiatieven een nieuwe insteek en vers bloed binnen onze kring brengen.

 

Een andere beslissing, een open agenda voeren, blijkt ook een succesformule te zijn. De bijeenkomsten zijn heel interactief en ieder kan zijn ei kwijt. Ik meen te mogen zeggen dat deze formule zeker in gebruik gehouden mag worden.

 

Het bestuur van Noorderkroon kijkt nu al uit naar de vele boeiende onderwerpen die we  tijdens het komend jaar zullen gaan aanpakken en wenst U allen een gezond, voorspoedig en leerrijk 2007.                                                                                                                    LBe

 

 

LHC  en Higgsdeeltje door Jan Hermans.

 

 Jan had het op zich genomen om de lastige vraag van Mark Smits te beantwoorden; de LHC en de Higgsdeeltjes.

LHC staat voor Large Hadron Collider, een deeltjesversneller voor zwaardere deeltjes. Het gevaarte is te vinden bij CERN, in Zwitserland. Het hele project gaat van start in 2007. Wat is de bedoeling van dit project? Wel, het standaardmodel van de deeltjesfysica voorspelt een theoretisch deeltje; de Higgs-bosonen. Het zijn deze deeltjes die voor de massa zorgen. Indien deze voorspelde deeltjes niet blijken te bestaan, hebben we een enorm probleem!! Deeltjes zijn dragers van Higgsvelden, overal aanwezig, maar nog nooit waargenomen. Met de komst van de LHC, want meer vermogen, zou het bestaan kunnen bewijzen van hetgeen men “het Godsdeeltje”placht te noemen. Gaat men het bestaan van Higgsdeeltjes kunnen bewijzen verwacht men nog meer te ontdekken, het zou wel eens een familie van Higgs-bosonen kunnen worden. Zal zeker vervolgd worden in 2007. We volgen het op!!

 

Twee nieuwe satellieten zond de zon door Job Beeren.

 

Als antwoord op een vraag van onze voorzitter is Job eens in de papieren en wetenschappelijke uitgaven gedoken en legde ons uit wat de bedoeling was van het “Stereo-project” (Solar Terrestrial Relation Observatory). Het is een tweejarig experiment om de zonneuitbarstingen in  3D te gaan bekijken. We hebben ons verdiept in de baangegevens en het lanceringtraject van de beide satellieten. Job zal in januari even de exacte baanelementen presenteren.

Nu…Stereo, de combinatie van beide satellieten gaan kijken naar de CME’s (Coronale massa uitstoot = zonnewind) en de flares. Met name de flares, soms heel hevige uitbarstingen kunnen de aarde bedreigen met de gekende gevolgen; communicatiestoringen en massale stroomuitvallen. Het zal een soort early warning systeem moeten gaan worden. Elke satelliet heeft de afmetingen van een golfwagentje en weegt 642 kg. Ze hebben elk 4 experimenten aan boord en kijken in het extreem Ultra Violet,  twee coronografen, heliosferische beeldvormens met ruisonderdrukking. De beide verkregen data van de beide satellieten gaat men combineren met die heel uitgebreide catalogus van SOHO om tot een heel kompleet beeld van de zon te komen. Job wist te melden dat het Belgische Centre Spatiale Liege een deel van de experimenten voor rekening heeft genomen! In zijn totaliteit gaat het Stereo-project niet minder dan 16 experimenten afwerken binnen de gestelde opdrachtduur van twee jaren. Met deze insteek hoopt men op relatief korte termijn te kunnen komen tot het beter voorspellen van het ruimteweer.

Heel informatief en kundig gebracht! Bedankt Job! We kijken uit naar de baangegevens.

 

 

Tussen de bedrijven door zijn we niet zuinig geweest met de vlaai. Diegene die met honger en dorst naar huis ging, was zeker niet aanwezig op onze laatste Algemene Ledenvergadering. Tegen de klok van 23.00u sloten we het werkjaar 2006 af met de allerbeste wensen aan de aanwezigen. Neem even de tijd om onderstaande kwartaalagenda te bekijken. Je zal zien dat we al in het eerste kwartaal grensverleggend gaan werken! Op naar 2007, heldere hoofden en heldere nachten!!!

 

Kwartaalagenda

 

Agenda 1e kwartaal

Januari 2007.

Studiebijeenkomst: Open Agenda op :   27 januari 2007   in de Joy om 20.15u 

 

Kijkavond:   12-13 Januari 2006  met Cassegrain (gn maan)  Bijeenkomst aan de hoofdingang Kluis om 20.00u (stipt), Van daaruit vertrekken we naar een gunstige locatie. Kijken met de 25 cm Cassegrain.

Wintersterrenbeelden, Saturnus, deepsky-objecten en we proberen eens een planetoïde te zien.

We kiezen een speciale locatie voor een hele brede hemel!  Het zal heel speciaal gaan worden, we gaan de grenzen va sterrenkijken een beetje verleggen!!!

 

Februari 2007

Studiebijeenkomst: Open agenda op:  10 februari  20.15 u   Joy

Kijkavond in Bocholt: 17 februari   Sterrenzoektocht Smeetshof te Bocholt.

                  Binnen- en buitenactiviteit voor jong en oud

                  Smeetshof 20.00 tot 22.00u

                 Kijken met de kijker van Berke. Indien slecht weer; projectie Starry nights met Beamer.

                              

Maart 2007.

Studiebijeenkomst: 1e intitiatieavond op:  17 maart in de Joy. Aanvang 20.00u

Publicatie in de Printer, de vrijetijdskrant, op de website,   Door de secretaris in te plannen.

 

Kijkavond: In Bocholt aan de bibliotheek op 3  Maart “Rinkelnacht”  Maansverduistering. (22.45u totaal verduisterd.) Maansverduistering met animatie. Aanvang om    ?u.  Noorderkroon zorgt voor  uitleg tijdens het gebeuren met de kijker van Mauritius. Indien slecht: vervangprogramma met beamer en pc.

3 Maart 2007 ; de Nationale sterrenkijkdagen:

Zoals gezegd, we gaan dit jaar een tandje hoger. Op 3 maart zullen we beide activiteiten laten doorgaan. programma zal nog volgen!

13:52 Gepost door LBe in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

16-12-06

bijeenkomst november 2006

Verslag 4 November 2006.

 

 

Jan maakte het verslag en Lambert fungeerde als moderator.

 

 

Zoals reeds enkele malen met succes toegepast kreeg ook nu weer iedereen de kans om zijn voorkeur te uiten over de te behandelen onderwerpen. Volgende items werden als voorkeur genoteerd.

1. LHC detectoren; CMS Higgs deeltjes en wie kan ons vertellen wat dit betekent?

2  nieuwe kunstmanen rond de zon.

3. CCD camera; hoe werkt dat?

4. Wie kan iets vertellen over kleurschakeringen ?

 

Wie kan ons vertellen wat LHC detectoren; CMS Higgs deeltjes zijn?

Niemand van de aanwezigen kan iets zinnigs vertellen over LHC detectoren of CMS Higgs deeltjes. Mark Smits, als vragende partij, zal tegen de volgende vergadering proberen te vertellen waar de afkortingen voor staan en zelf even nagaan of er intussen ook iets meer over bekend is.

 

Twee nieuwe kunstmanen rond de zon

Er zijn 2 nieuwe kunstmanen gelanceerd die beiden onder een hoek van 45° rond de zon draaien en de zonactiviteit observeren. Ze zijn onlangs gelanceerd en kunnen door hun positie t.o.v. elkaar een dieptebeeld maken. Hierdoor wordt het mogelijk om het gedrag van het oppervlak en de hoogte van uitbarstingen op de zon te meten. Ze draaien niet zoals Magelhaen over de polen van de zon.  Job Beeren zoekt nog verder uit wat het exacte doel van deze operatie is en brengt dit volgende vergadering aan de orde.

 

Hoe werkt een CCD?

CCD staat voor “Charged Coupled Device”. Het is een versterker van het invallend licht.

Als we even terug kijken naar de klassieke fotografie dan weten we dat er soms lang moet worden belicht; maar dat een te lange belichting de gevoelige laag van een film tot verzadiging kan brengen.  Dit komt door de steeds herhalende reactie van de lichtdeeltjes met de filmlaag.

Met een CCD worden de lichtdeeltjes verzameld op een fotogevoelige chip die de lichtdeeltjes verder versterkt. De CCD is een chip met 12 miljoen ontvangers in rijen naast elkaar. Dit zijn de “pixels”. Er zijn diverse types zoals KAF; KAFI enz. waarmee een lijst van pixels wordt aangegeven. De versterking van de lichtopname kunnen we regelen. Hierdoor kunnen we erg zwakke objecten duidelijker in beeld krijgen.

Als een CCD wordt ingeschakeld wordt er telkens een spanning op de chip gezet die meteen voor een “ruis” zorgt. Er wordt een “dark frame” gemaakt als referentie om te starten. Deze waarde moet bij de beeldvorming worden afgetrokken.

Het licht op de pixels wordt naast elkaar in rijen afgelezen. Beginnend vanaf boven schuiven alle lagen telkens op van boven naar beneden. De uitleessnelheid  is 1/10 seconde.  De CCD moeten we zelf programmeren en voor de verwerking moet de computer een snelle processor hebben.

Sinds enkele jaren zijn de CCD camera’s enorm snel geëvalueerd en goed betaalbaar geworden. Ook de kwaliteit van de foto’s is enorm verbeterd. Focaal werken is goed mogelijk met een afstelring. Deze zorgt voor een afstand t.o.v. de diepte.

Er is wel een groot verschil in principewerking tussen de CCD camera en de restlicht versterker. Deze laatste heeft een fosforscherm en mag niet worden gebruikt in de richting van sterkere lichtbronnen. Dit geeft risico op verbranding.

 

Wat is kleurschakering?

Er is een groot verschil tussen absorptie en emissie. Absorptie ontstaat door interferentie van de golflengte als elementen aanwezig zijn met vergelijkbare frequenties.

Emissie ontstaat als atomen na het opnemen van energie deze afgeven en elektronen terugvallen naar een lagere schaal. De elektronen geven de energie dan terug af in de vorm van zichtbaar licht.

Wat gebeurt er dan als wit licht, dat bestaat uit alle kleuren van de regenboog, op een groene muur valt. Met andere woorden : Waarom kleurt de muur groen terwijl alle andere kleuren er toch ook op vallen. Moet ze dan niet altijd wit zijn en wat gebeurt er met de andere golflengten (kleuren)

De verf op de muur absorbeert alle kleuren behalve de groene kleur. Deze wordt gereflecteerd waardoor de muur groen wordt.  De overige golflengten gaan in en door de verf en worden in de verf en de muur opgenomen om nadien langzaam onzichtbaar terug te stralen in het infa rood. Een zwarte muur reflecteert niets. hier wordt alle licht volledig opgeslorpt

 

Behalve de R grote onderwerpen werden nog enkele bijkomende onderwerpen kort doorgenomen zoals gamma flitsen, aardscheerders, novae en supernovae, maar hoe interessant ieder item ook was, de tijd was onverstoord blijven verder tikken waardoor het intussen bijna half twaalf was geworden.

Het was een gezellige, boeiende en leerrijke avond .

 

Jan Hermans.

 

Verslag kijkavond 17 november 2006.

 

Op een keer moest het lukken, en jawel…..weersomstandigheden niet van topniveau, maar een kijkavond om U tegen te zeggen. De eerste maal dat we de geautomatiseerde kijker van Lambert in actie zagen en we hebben het geweten. Verschillende records werden gebroken en dan spreken we niet over snelheid en accuratesse. De opgevraagde objecten verschenen één voor één midden in het beeldveld van de kijker. We hebben een enkele keer gewisseld van oculair, maar omzeggens de ganse avond gewerkt met een 40mm breedbeeld Super Plossl oculair waar we tegen het einde van de avond een speciaal deepsky filter op monteerde. Het was toen dat Jan Hermans als eerste opmerkte dat de reflectienevels in de Pleiaden zichtbaar waren. Voor de rest van de avond hebben we vooral open sterrenhopen gezien (sommigen keken we dwars doorheen), bolhopen, elliptische sterrenstelsels, melkwegstelsels en enkele Leoniden. We hebben individuele sterren bekeken, dubbelsterren en variabelen. Van Messier tot NGC, ze waren allemaal te zien. Een kleine opsomming van de objecten die de revue passeerden: M36 - M37 – M38 – M35 (schitterend mooi) – M103 – M101 – M31 – M32 – M110 – M57 – M34 – NGC 2129 – NGC 2158 – M45 – Algol – Mira – Wega – Capella – M33 – X-H PER – NGC 848 – NGC 868 – M97 -  en ik weet zeker dat ik er nog een paar vergeet (sorry Geert!). Al met al een zeer geslaagde kijkavond met een stuk of zeven deelnemers, allemaal even wild (bewijs is zichtbaar op  foto). Begonnen om 20.00u en het einde was voor 23.30u. We beloofden elkaar dat we, als het vriest en de wintersterrenbeelden hoog aan de hemel staan, dit nog een dunnetjes over te doen en meteen een beetje Astrofotografie gaan doen. Het zal de moeite zijn. Hou de agenda en de hemel in de gaten.

                                                                                                                                                                            LBe

 

13:32 Gepost door LBe in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

bijeenkomst oktober 2006

Verslag van de bijeenkomst  7 oktober 2006.

 

Op het bord werden de volgende vragen – onderwerpen geschreven:

 

-          Is de aarde rond door Albert Molhan.

-          GRSII door Lambert Beliën

-          Neutronensterren –zwarte gaten door Mark Smits.

 

Jan stelde voor als moderator op te treden en af de kickoff voor de eerste vraag; is de aarde rond? Al heel snel kwamen we tot de conclusie dat de aarde niet rond is. Om rond te kunnen zijn moet je als hemellichaam al heel klein en traag zijn. Berke dacht dat de Aarde een afplatting had van 30 km. Dit werd niet bevestigd.  De centrifugaalkracht  is verantwoordelijk voor de afplatting van de aarde. Vergelijk het maar eens met Saturnus. Een heel snelle rotatie = een heel sterke afplatting. Jan demonstreerde enkele voorbeelden hoe je afplatting kan simuleren.

 

Opeens werd onze aarde peervormig; onze voorzitter tekende op het bord welke vorm de aarde heeft.  Het gravitationele effect van de maan (en de zon) op de aarde maken dat er getijden zijn (we namen ze allemaal door, ook het dood tij, waar enige verwarring te bespeuren was) Heel veel tekenen op het bord en duidelijke uitleg van alle deelnemers van de groep brachten dit onderwerp tot een goed einde.

 

Als tweede punt stelde Lambert zich de vraag hoe de Kleine Rode Vlek op Jupiter zich gaat gedragen ten opzichte van de Grote Rode Vlek (GRS = Great Red Spot). We weten dat de grote rode vlek een gigantische orkaan is met snelheden die boven onze inbeelding liggen. De GRS bestaat al lang en word ook al lang bekeken. Er was nooit sprake van een tweede rode vlek, tot kortelings. Spontaan verschijnt een nieuwe storm, kleiner weliswaar, maar toch.  Op de vraag of die er al niet eerder was, wisten we dat Jupiter elke 10 u een rondje heeft gemaakt en dat we het gehele oppervlak gezien kunnen hebben. Tot voor kort werd nog nooit een tweede rode vlek gezien. Onlangs concludeerde men dat de nieuwe vlek donkerder is, hoger in de atmosfeer zit en op botsingskoers is met de grote rode vlek. Vraag: wat gaat er gebeuren. Jan wist te vertellen dat een wervelstorm een basis heeft, diep in de atmosfeer. Ook zo de grote en de kleine rode vlek. Na wat heen en weer gepraat en  tekeningen op het bord denken we dat de kleine rode vlek gewoon opgenomen zal worden door de grote rode vlek en dit zonder gevolgen.

 

De derde vraag kwam van Mark Smits en leunde heel erg aan bij zijn vraag die hij de vorige meeting stelde (zie verslag september).  Wat is een neutronenster en wat is een zwart gat.

 

De eerste vraag hebben we besproken door eerst even gaan te kijken wat er nodig is om tot een neutronenster te komen.  We beginnen met een ster. In de ster is stralingsdruk door inwendige fusies die een buitenwaartse kracht uitoefent. De zwaartekracht, daarentegen, zal een tegengestelde kracht uitoefenen en beide krachten samen zorgen ervoor dat de ster stabiel is en rustig dor haar fusieprocessen heen kan gaan. Maar…..op een gegeven moment raakt de brandstof op en zal de interne druk naar buiten toe minder worden dan de kracht die de zwaartekracht naar binnen toe uitoefent. Het gevolg kennen we; een supernova. Dit kan meerder keren gebeuren. De buitenste atmosfeerlagen storten zich met ongelofelijke snelheid op de kern van de ster, de druk op de kern zal heel snel en heel erg oplopen, zo erg dat op een gegeven moment alle materie is uitgestoten en dat de kern enkel nog maar bestaat uit zeer compact samengedrukte neutronen. De ster is nu superzwaar, klein en gaat heel snel ronddraaien. De ster is in het optische bereik niet meer zichtbaar, maar met radiotelescopen kunnen we nog wel luisteren naar de signalen die de ster uitzendt in de vorm van pulsen, denk maar aan de M1, de Krabnevel. In het centrum van de Krabnevel kan men een pulsar horen met een frequentie van 33 milliseconde.  Op de vraag; blijft een neutronenster zo snel ronddraaien was het antwoord tweedelig. In een vacuüm, waar gen storende massa voorhanden is; Ja, hij zal zo snel blijven roteren. Is er wel massa in de omgeving heeft deze invloed.

 

Betreffende de vraag; wat is een zwart gat hebben we al heel snel duidelijk gemaakt dat het zeker geen gat is, Het lijkt een gat omdat we er niets van kunnen zien. Een beetje uitleg:  Bij onze vorige vraag, wat is een neutronenster, kregen we te maken met supernovae. Eigenlijk had het antwoord moeten zijn supernova type I. Hebben we nu een superzware ster die een supernova ondergaat spreken we van een type II-supernova. Er is een ontzaglijke hoeveelheid meer massa, dus ook zwaartekracht. De processen die plaatsvinden in de supernova type II zijn zodanig destructief dat de kern met zo’n enorme  kracht samengedrukt wordt dat de plaatselijke zwaartekracht hoger komt te liggen dan de snelheid van het licht. Als gevolg hiervan is dat we uiteindelijk een heel zware kompact hemellichaam overhouden dat alleen maar aantrekt en in eerste instantie niets laat ontsnappen. Maar….. een zwart gat kan alleen maar groeien als er materie in de buurt is. Materie die aangetrokken zal worden gaat in een spiraliserende baan richting zwart gat getrokken worden. Op de gebeurtenishorizon kunnen astronomen röntgenstraling waarnemen, een indicatie dat er een zwart gat in de buurt is. De afwijkingen, meetbaar aan ander hemellichamen tonen dit ook aan.. Is er geen materie in de buurt zal het zwarte gat uiteindelijk verdampen. Via de elektrische veldlijnen van het magneetveld kan materie ontsnappen. Er is nog een manier om een zwart gat te ontwijken: als je eigenbeweging en je snelheid net goed zijn kan je weggeschoten worden van een zwart gat, in plaats van opgelokt te worden.

 

Nog even lonkten we naar de reeds verworpen theorie van de wormgaten en sloten de avond af net na 23.00u. Weeral een goed gevulde en actieve meeting achter de rug.

 

LBe

 

13:28 Gepost door LBe in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

bijeenkomst september 2006

 Verslag van bijeenkomst zaterdag 16 september 2006.

 

Na een kort  inleidend gesprek zijn we gestart (met een frisse pint op rekening van de voorzitter, want weer jarig geweest tijdens de Perseiden) met het opsommen van de onderwerpen. De volgende noties op het bord;

 

  1. Pluto (Lambert)
  2. 22° (Jan)
  3. Rand van het heelal (Mark)

 

We kozen te beginnen met de vraag van Mark; wat is de rand van het heelal?  Jan merkt op dat dit kosmologie was. Op vraag van Mark wat het verschil is hebben we uitgelegd welk het verschil is tussen astronomie en kosmologie. Het ene beperkt zich tot de feiten die we in de ruimte waarnemen. Kosmologie, daarentegen, gaat verder, veel verder.  Het is eigenlijk allesomvattend, tot aan het filosofische toe. Tijdens het gesprek kwamen we daar achter.

 

Het beantwoorden van deze vraag deden we door te  vertrekken van een voorstelling van het heelal. Als voorbeeld kwam de beruchte ballon weer op de proppen. We toonden aan het heelal te vergelijk is met het oppervlak van een ballon; er is geen rand, er is geen einde.  We vertrokken van de Big Bang ( niet Fred Hoyle, maar George Lemaitre die het idee postuleerde), bekeken de verschillende tijdperken, bespraken wat er eigenlijk gebeurde. Van pure energie in een eindeloos dicht punt (singulariteit) naar materie, via uitdijing, afkoeling, condensatie en gravitationele bindingen tot hemellichamen. We merkten wel op dat deze voorstelling heel simplistisch was, er zijn zijwegen te bewandelen (hebben we ook gedaan).

 

Dat deze vraag niet een, twee, drie te beantwoorden is en dat de vele zijtakken het gesprek openbrak tot aan het filosofische. We weten tegenwoordig meer en meer; hogere technologieën fijntunen de sterrenkunde. Het is een nimmer aflatend proces, waar iedereen voordeel mee heeft. Jan liet weten dat de onbekende donkere materie een aanwezigheid zou hebben van 25 x hoger dan dat wat we dachten te weten. Op kosmologisch vlak heeft dit natuurlijk een serieuze impact. We hebben de evolutie van het heelal onder de loep genomen; een rechtstreeks gevolg van de vorige vaststelling. We bekeken het pulserend heelal, welke processen de sterren ondergaan in hun aanmaak van nieuwe, zwaardere elementen, we hadden het over de interactie van materie en energie. Ijzer hoeft per definitie niet de laatste stap in de vorming van elementen te zijn. Enkel als je de processen gaat bekijken die deeltjes-interactie hebben. Dan wel. Een ander verhaal zal het worden als je energie gaat toevoegen; kijk maar wat er gebeurd bij een supernova. De ster klapt in elkaar,  de inwendige temperatuur en druk stijgt razendsnel tot ongekende hoogtes en alle benodigdheden voor nieuwe fusie zijn aanwezig. Nog zwaardere elementen, zoals bismuth, goud en uranium kunnen gevormd worden. We reflecteerden over de Ultra Deep Wide Field-opname van Hubble. In een schijnbaar leeg gebied waren ontelbare stelsels die zien op een afstand van 13 miljard lichtjaren. Jan verduidelijkt op het bord hoe dit mogelijk was. Een jong heelal met een hoge dichtheid is een heelal waar alles heel snel gaat, ook de vorming van sterren en stelsel. Een heel boeiende uiteenzetting door de ganse groep.

 

Als tweede punt: Pluto. De ganse discussie die momenteel loopt maakte dat niemand van de aanwezigen nog kon vertellen hoeveel planeten ons zonnestelsel op dit moment telt. Jan haalde een artikeltje uit Heelal aan: De waarneming van Vulcanus door Lescarbault (1814-1894). Deze persoon, een dokter, zag op 26 maart 1859 een transit van een planeet (?) over de schijf van de zon. Lescarbault was niet de eerste de beste. Hij beschikte over een eigen waarnemingsplatform en had reeds eerder gedetailleerde studies aan de zonnevlekken gedaan. De waarneming werd berekend en men kwam uit op een planeet met een baan tussen de zon en Mercurius.  Men berekende een omloopstijd van 19.3 dagen op een afstand van 0.14 AE en een massa van 1/17e van Mercurius.  Na de eerste waarneming en de berekeningen werd Vulcanus nooit meer gezien. Mogelijk zag men toentertijd een komeet voor de zon doortrekken?

 

Als derde item op het bord: 22°, opgegeven door Jan Hermans.  22 graden, liet Jan weten, had alles te maken met refractie en reflectie van licht. Lichtsnelheid in een vacuum reist aan een snelheid van 299.792.458 meter per seconde. Wij hebben het meestal, voor het gemak, over 300.000 km/s. Nu, vandaag hebben we het over exacte getallen: 299.792.458 meter per seconde. Niet voor niets, want Jan vroeg of we wisten wat er met die snelheid gebeurde als het licht door een ander medium zou reizen. Hij liet ieder eens een gokje wagen; hoe snel is het licht als het door glas gaat? De antwoorden waren nogal verschillend; één iemand had het juist! Licht reist door water 210.000 km/seconde en door glas met een snelheid van 150.000 km/sec. Wat leert ons dit? Hoe dichter de materie waardoor het licht moet reizen, des te lager zal haar snelheid zijn. Het word nog mooier. Jan vroeg ons wat er met het licht van een onderwaterlamp gebeurd? Ik de lamp zelf (van de gloeidraad tot aan de wand van de glasbol zal het licht de gekende lichtsnelheid hebben (299.792 km/s), door de glasschil van de lamp valt deze snelheid terug naar 150.000 km/s om dan vervolgens weer verder te gaan aan een snelheid van 210.000 km per seconde, want het medium is water.  We toetsten deze stelling aan andere mediums, zoals bijvoorbeeld onze eigenste atmosfeer.

 

Nu, licht door glas geeft breking (refractie) en reflectie. Jan tekende de verschillende stralengangen  op het bord en verduidelijkte het een en ander.  We bekeken het brekingsproces in regendruppels van 2mm en merkten op dat bij hele kleine druppels (0.02mm) er geen breking kan zijn.  Via dubbele regenbogen kwamen we uit bij cirrusbewolking. In de hoge cirruswolken vinden we heel veel hexagonale ijskristallen. Deze kristallen hebben de eigenschap dat, door hun vorm, ze heel veel breking kunnen veroorzaken. Hetgeen we dan zien is een halo. De uitvalshoek van de lichtstralen bedraagt 22°.  Een verrassend einde van een zeer geslaagde avond.  Dank aan de gehele groep voor het  interactieve meedenken!!!

 

13:26 Gepost door LBe in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Vakantie.....

Vanwege de vakanties en de korte nachten schorten we onze aktiviteiten voor een bepaalde tijd op.  Op zich zijn de zomermaanden niet helemaal omgeschikt voor amareur-astronomen, je kan zonnewaarnemingen doen, je kan op de late nacht genieten van de melkweg, er zijn diverse vallende sterren, plenty satellieten. Met andere woorden, je hoeft je niet te vervelen.

 

Ondanks het feit dat er toch van alles te doen valt in de zomer, kiest Noorderkroon-Achel voor en korte zomerstop. De leden kunnen op eigen initiatief blijven genieten van de diverse dingen die toch te zien zijn, zij het slechts voor een korte duur. Het echte waarnemingsvenster is niet groter dan 2 tot 3 uren. Te kort om met een kring iets te organiseren.

 

Terug beginnen doen we met de Perseiden, vallende sterren in de volksmond. 12 augustus is het einde van de zomerstop en misschien hebben we dit jaar meer geluk dan andere jaren, waar de maan een enorm storende factor was.

 

 

 

12 Augustus 2006.

 

Daar waar vorig jaar de maan ons parten speelde, is het nu de bewolking. Hele zware bewolking tijdens de 2 dagen die we uitgetrokken hadden voor de Perseiden. Jammer!!! Of we wachten tot volgend jaar of we kiezen een andere zwerm meteoren.

13:23 Gepost door LBe in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

05-06-06

sterrenkijken, een handleiding.

 

Sterren kijken, een handleiding.

 

Onder deze noemer hebben we eens gekeken welke punten in de gaten te houden, teneinde een geslaagde kijkavond te genieten. De punten die we bespraken waren eigenlijk een checklist, een opsomming van aandachtspunten, zoals:

 

l       Welke voorbereidingen ?

l        Wat hebben we nodig?

l        Hoe gaan we te werk?

l        Waar moeten we allemaal op letten

l        Hoe slaan we onze gegevens op?

 

Niets is leuker dan je weg kennen. Ga je bijvoorbeeld op reis naar een verre bestemming, dan heb je enkele opties:

  1. Je weet de weg en vertrekt volledig zelfstandig.
  2. Je bent onbekend en je zorgt dat je landkaarten ter beschikking hebt.
  3. Je neemt een gids in de hand en laat je voeren.

Een reis kan pas slagen als je een doel hebt. Geen einddoel, maar een doel. M.a.w. wat wil je gezien hebben? Welke tussenstops wil je inlassen? Zit je voor bepaalde evenementen wel op de juiste locatie? Heb je alles bij om je reis optimaal te laten slagen? Allemaal vragen die best op voorhand ingevuld worden.

 

Een nachtje onder de sterren.

Een kijkavond organiseren is een klein beetje te vergelijken met de voorbereidingen van een korte reis.

Ook hier moeten best enkele voorwaarden voldaan worden. Het succes van je kijkavond kan er van afhangen. Waar moet je zoal aan denken? Weersomstandigheden, locatie, apparatuur, programma, afspreken met een collega, afstellen van de apparatuur, programma volgen, soort waarneming: allemaal punten waar je rekening mee moet houden.

 

Weersomstandigheden.

 

Vanzelfsprekend is dit de eerste voorwaarde die optimaal moet voldoen. Een waarnemingssessie organiseren terwijl het bewolkt is heeft geen zin. Mist, harde wind, extreme vriestemperaturen zijn ook te mijden. Regenbuien zijn uit den boze. Een enkele uitzondering kan gemaakt worden na een zomers onweer. De lucht zal dan heel waarschijnlijk uitklaren. Kunst is om wolken te kunnen lezen. We bekeken diversen soorten wolken en trokken conclusies. Sommige wolkensoorten lieten ons een bepaalde vrijheid, terwijl andere types zo dreigend waren dat een kijkavond uit te sluiten was (we hebben ervaring met deze toestanden). Een andere term die aan bod kwam was “seeing”.

Onder de term seeing verstaan we de doorzichtigheid van de atmosfeer. Hoe helderder het is, des te beter is de seeing. Maar…. Zelfs bij schijnbaar helder weer kan je een slechte seeing hebben. Hoe kan dat?

 

Warme lucht kan in bellen door de atmosfeer stijgen. Kruist zo’n bel je lichtpad, zal je beeldvorming danig verstoord worden. Luchtonrust beïnvloed de seeing. Het effect van seeingcellen in je optisch systeem is te vergelijken met de opstijgende warmte van dit wegdek. Het beeld is niet stabiel en scherp, het wiegt heen en weer in je beeldveld. We zagen diverse beelden van luchtspiegelingen.

 

 

Acclimatisatie van de apparatuur.

 

Een kijker, zelfs een verrekijker, moet de temperatuur van de omgeving hebben. Is dit niet het geval zullen bepaalde luchtstromingen het beeld gaan verstoren. Een open Newton is heel gevoelig voor temperatuursverschillen, een SCT is nog moeilijker te acclimatiseren Staat de kijker binnen, dan zal de lucht in de kijker heel waarschijnlijk warmer zijn dan de buitenlucht. Een Newton zetten we horizontaal buiten en laten de warme lucht langzaam uitstromen. Duur: 20 minuten

 

Een Schmidt-Cassegrain (SGT) is een gesloten optisch systeem en doet er 2 uur over of men moet een koeler plaatsen op de focusser. Deze koeler zuigt de warme lucht uit het systeem en brengt de acclimatisatietijd terug tot 30 minuten. Een refractor is ook een gesloten systeem en doet er ook 2 uur over om optimaal te acclimatiseren. Ook hier kan een koeler de aanpassingstijd inkorten.

 

Acclimatisatie, is dat echt nodig?

Wanneer je beslist dat acclimatisatie niet echt nodig is, zie je tijdens het kijken het object zachtjes op en neer wiegen.  De lichtbundel die je kijker in een brandpunt probeert te krijgen gaat een heel eigen leven leiden. De stralen komen niet allemaal terecht in het brandpunt. In sommige gevallen kan je de turbulentie die in je kijkerbuis heerst zelfs zien. Je ziet effectief bellen door je oculair.  Na verloop van tijd zie je merkbaar dat de waarnemingsomstandigheden beteren. Je kijker is geacclimatiseerd.

 

Locatie.

 

We hebben nu onze kijker thermisch onder controle en willen beginnen met waarnemen. Een kijker verzameld licht. Kunst is om zoveel mogelijk licht te verzamelen en bijgevolg zwakke dingen te kunnen bekijken. Logischerwijze gaan we dit doen op een donkere plaats. Weg van strooilicht, weg van trillingen, weg van rumoer en dan liefst zonder maan (of het moet een maanwaarneming betreffen) en bij voorkeur met een vrije horizon. Een ander item dat aandacht verdient is de omgeving. Was het de afgelopen dag een hete dag, ga het best niet staan waarnemen op of in de buurt van betonnen oppervlaktes.  De opgenomen warmte zal gedurende de ganse nacht voor ongewenste luchtstromingen zorgen. Een zandbodem heeft dezelfde eigenschappen. Het best sta je op een grasmat of weide.

 

Apparatuur.

 

Beslis op voorhand welke kijkers je gaat gebruiken (vergeet zeker je bino’s niet). Kijk op voorhand of alle accessoires voorhanden zijn. Niets is zo frustrerend dan je beste oculair of flexibel te vergeten. Neem altijd een setje gereedschappen mee: een kleine schroevendraaier, een tangentje, enkele steeksleutels, etc. Je zult ze maar nodig hebben en nergens vinden. Werk met een checklist: succes gegarandeerd!

 

Waarnemingsprogramma.

 

Kijkers OK, locatie OK, nu nog weten wat we willen en vooral kunnen zien: een waarnemingsprogramma.

Een sterrenatlas hebben we zeer zeker nodig. Hou evenwel rekening met het feit dat door dauwvorming je dure atlas ernstige schade kan oplopen (niet geplastificeerde uitgaven). Als alternatief kunnen we met behulp van de PC enkele sterrenkaartjes afdrukken. Er zijn tegenwoordig legio programma’s die realistische kaartjes laten afdrukken. Een heel handig hulpmiddeltje, het ganse jaar door, een draaibare sterrenkaart. Stel datum en tijd in en je krijgt de sterrenhemel die heel actueel is. Waarnemen op een afgelegen plaats is bijna onverantwoord als je dit in je eentje doet. Je kan hulp nodig hebben om je kijker op te stellen. Je kan iets aan de hand krijgen, een val, je kan ‘s nachts stropers, boswachters en politie op je waarnemingsstek verwachten (hebben we meegemaakt). Een waarneming bevestigen is steeds gemakkelijker als je met twee bent en je zal zeker een betere waarneming doen als je samen met een collega het beeld bestudeerd.

 

Afstellen van de apparatuur.

Aangekomen op de waarnemingsplaats moet je natuurlijk eerst je opstelling in orde maken. Ga je losjes uit de hand werken is dit minder arbeidsintensief. Ga je parallactisch werken, dien je extra tijd te voorzien om een perfecte poolafstelling te bereiken. Heb je een moderne GPS/GoTo-opstelling laat je de elektronica haar werk doen. Duur: 5 minuten. Help ieders opstelling zo optimaal mogelijk in orde te brengen. Je hebt er de hele sessie voordeel van. Qua afstelling ben je zo klaar met een Dobson.  De enkele taken die je moet doorvoeren zijn:

 

 

 

Programma volgen.

 

Als voorbereiding had je enkele sterrenkaartjes afgedrukt met daarop de objecten die je het liefst zou willen zien.

Raadpleeg op de kaartjes altijd de beste tijd wanneer een bepaald object waar te nemen. Men is het meest geneigd om een object te bekijken van zodra dit opgekomen is. Beter is te wachten tot het betreffende object hoger aan de hemel staat. Sterrenkaarten kunnen je helpen te bepalen wat, wanneer te bekijken. Voor een optimaal resultaat volg je best een vooraf uitgestippeld traject. Het alternatief is natuurlijk het los uit de hand werken, vertrouwen op je kennis van de hemel en je correct gevoel van tijd. Deze vorm van kijken zal je kennis van de sterrenhemel niet echt uitbreiden.  Het is een misopvatting dat de hemel bezaaid is met lichtzwakke objecten.  Het heet daarboven niet voor niets “ruimte”. Deze ruimte is vooral leeg. Je moet een goede kennis hebben om alles weten te staan en dan nog…..sterrenkaarten zijn onmisbaar (starhopping). We namen als voorbeeld M104, de Sombreronevel in de Raaf. We toonden enkele sterrenkaarten en gaven een route aan die je best kan volgen, wil je zonder al te veel problemen het object vinden, Natuurlijk  is het vanzelfsprekend dat ieder zijn eigen ding kwijt kan bij deze manier van zoeken. Je eigen creativiteit zal je snel of minder snel tot het te zoeken object voeren.

 

Soort waarneming.

 

Eerst en vooral: de kijker die je hebt is al een indicatie voor datgene je het liefst ziet. Een planetenliefhebber kiest voor een lensenkijker met een hoge f-waarde (resolutie). Een Deepsky-waarnemer heeft voor alles licht nodig en zal een zo groot mogelijke opening kiezen: een Newton met een zo laag mogelijke f-waarde (lichtsterk). De tussenweg is een SCT. Deze kijker combineert de beide en kan hoge resolutie aan (f10), welke men kan reduceren met een speciale ring naar f4.6. Wat men ook wil doen, er is één item dat NOOIT mag ontbreken en dat is een verrekijker of binoculair. Gebruik altijd als eerste instrument je verrekijker en bestudeer de omgeving van het waar te nemen object. Je zal het object sneller vinden door het grotere zichtveld.

 

Kies bij voorkeur voor een handzame en lichtsterke verrekijker. De zwaardere en lichtsterkere kijkers moeten al snel op een montering geplaatst vanwege hun gewicht. Lensopening en vergroting zijn individueel. De ene prefereert een 7 x 50, terwijl anderen het houden op 12 x 50, 80 x  100……. Met twee ogen kijken is rustig observeren.

 

 

Andere waarnemingen.

Naast het bekijken van planeten en deepsky-objecten kan je ook andere waarnemingen doen, zoals satellieten spotten, meteoren, veranderlijke sterren, supernovae zoeken, kometen zoeken,etc. Elke discipline heeft haar eigen charmes, maar vergen allemaal voorbereidingen, wil je optimaal waarnemen.

 

Einde waarnemingssessie: things to do:

 

Eén ding is zeker: na een nacht waarnemen is alles nat. Zelfs in putje zomer. Zet alles zodanig weg dat het vocht kan verdampen. Niet alleen je kijker, maar alles wat je bij had; ook sterrenkaarten en atlassen. Veeg NOOIT je lenzen of spiegels droog. Laat de tijd dit voor je doen. Voor je het weet zijn de gevoelige coatings zodanig aangetast dat je instrument niet meer optimaal functioneert. Kijkerslenzen en spiegels hebben een coating en  zijn heel gevoelig . Ze mogen  bijgevolg nooit zomaar zuiver/droog geveegd worden. Probeer er af te blijven. Er is een verschil tussen een lens reinigen en een lens ontdauwen.

 

Te vermoeiend allemaal?

 

Besef dan dat alle bovengenoemde onderwerpen alleen tot doel hebben dat je optimaal kan waarnemen. Een ander, niet te verwaarlozen, winstpunt is dat je door je kijker correct te behandelen  je jaren plezier kunt hebben van je investering. Op naar de volgende expeditie!

                                                                                                                                             LBe

12:29 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

06-05-06

Gezamenlijke meeting Aquila-Noorderkroon 5 mei 2006

In het najaar van 2005 hadden we contact opgenomen met de voorzitter van Aquila –Lommel met als doel de vriendschapsbanden van weleer terug aan te halen .  Dit voorstel werd met veel enthousiasme onthaald en we werkten dit uit in een gezamenlijke bijeenkomst met een bijdrage van elke kring. Geen passief, maar een actief bezoek. Op de agenda de volgende uiteenzettingen: Kometen, evolutie op de rand door Lambert Beliën en een reisverslag Namibië 2004 door Nico de Jongh. Voordat beide sprekers de vloer kregen hebben de gezamenlijke voorzitters Rudi van Bommel en Lambert Breemans een kort woordje tot de aanwezigen gericht.

 

Aquila-voorzitter Rudi van Bommel verwelkomde het gezelschap, alsook Dirk Devlies, afdelingscoördinator VVS in het gloednieuwe (schitterende) clublokaal, ter beschikking gesteld door Lucas Pellens.  Rudi haalde aan dat het Dirk Devlies was die enige tijd geleden een oproep deed aan de Vlaamse kringen om de  onderlinge contacten aan te halen. Zover we weten hebben we weer een primeur te pakken. Aquila en Noorderkroon zijn de eersten die aan deze oproep een gevolg gaven. Rudi liet ook weten dat we reeds afgesproken hadden om van dit event een jaarlijks agendapunt te maken.  Een korte terugblik naar de tijden dat Noorderkroon veelvuldig op bezoek was bij Aquila, toen onder de bezielende leiding van George Bleyen. De brand die Aquila moest ondergaan en de solidariteit en de eigen wilskracht die hen er terug bovenop bracht. Een staaltje van “zo moet het!”. Aquila komt  om de 14 dagen samen (vrijdag’s), de ene keer bij Lucas Pellens, de andere keer bij George Bleyen. Men heeft een andere manier van werken. Wij werken met een kwartaalprogramma, terwijl Aquila gebruik maakt van de inbreng op het moment. Leden die een bijeenkomst bijwonen schrijven bepaalde onderwerpen op een bord en daaruit selecteert men de gespreksonderwerpen van de avond.  Voordat de voorzitter het welkomstwoord beëindigde merkte hij op dat Lucas Pellens een nieuw projectiescherm gemaakt had. King-size, want niet minder dan 4 m op 2m (schatting).

 

Noorderkroon-voorzitter Lambert Breemans  dankte de voorzitter voor zijn ontvangst en liet weten ook zeer verheugd te zijn in de hernieuwde kennismaking. Ook Noorderkroon zag zwarte dagen toen stichter en bezieler Adriaan Claassen het aardse inruilde voor het eeuwige. Achter bleef een zwart gat dat deels de oorzaak was van het verloren contact met Aquila. We zijn nu enkele jaren verder, hebben gehergroepeerd en gesterkt in de wetenschap  dat we nog bekende vrienden hebben in de onmiddellijke omgeving was deze stap een logisch gevolg. Ook Noorderkroon zal er alles aan doen om deze hernieuwde kennismaking  uit te werken tot een rotsvast gegeven. Gesterkt door de lovende woorden en intenties van beide voorzitters kon het actieve gedeelte van de avond starten. Intussen waren de technische problemen met de beamer die niet wou corresponderen met onze laptop opgelost en kon Lambert Beliën aanvangen met het eerste luik van de avond, een uiteenzetting over kometen en de vraag of hun materie echt wel oermaterie is.

 

Kometen, evolutie op de rand.

 

Afgelopen jaar hebben we enkele verrassende elementen onder de loep genomen. Oude theorieën, nieuwe inzichten…jonge bolhopen, een exoplaneet in een bolhoop.  Misschien is er wel iets te vertellen oven kometen?

 

Het verhaal begon met een kort overzicht onder de noemer “wat hebben we nodig om een komeet te vormen?”

Allereerst natuurlijk een protoplanetaire schijf welke uiteindelijk kan evolueren in een volwaardig zonnestelsel. Het heldere, turbulente centrum is een ster, te vergelijken met onze zon. Sterren zullen zich vormen in het diffuse gas van de schijf. Naarmate de ster groeit zal haar zwaartekracht toenemen. De kracht die opgewekt word is verantwoordelijk voor een roterende schijf van gas en stof, een protoplanetaire schijf. Deze schijf kan verder evolueren naar planeten, manen, planetoïden en kometen.

 

Dieper ingezoomd in de schijf zien we deeltjes, microns groot, die clusteren tot millimeter- en centimeter grote deeltjes. Naarmate deze deeltjes groeien zal de zwaartekracht toenemen. Onder invloed van zwaartekracht zullen objecten in de onmiddellijke omgeving botsen en deel gaan uitmaken van het zwaarste object in de buurt.

Dit proces blijft zich herhalen totdat uiteindelijk een komeet gevormd is. Omdat kometen in de ijzige gebieden van de protoschijf, ver van de oorspronkelijke ster gevormd worden, zullen moleculen zoals water, methaan en koolstofdioxide bevriezen in de microngrote deeltjes, nog voor ze botsen met grotere deeltjes. Eenmaal het  zonnestelsel gevormd is zullen de gravitaties van de grotere planeten de banen van de kometen beïnvloeden en hun in een baan om de zon brengen. Als een komeet in de buurt komt van de zon zal de opwarming het bevroren gas in de komeet sublimeren. Sublimatie van de moleculen, direct onder het oppervlak van de komeet forceert een stroom van gas en stof in de vorm van een jet. Het gevolg van deze actie is een wolk van gas die zich rond de kern van de komeet gaat nestelen, de coma. Interacties tussen de ingrediënten van de coma en het directe zonlicht en zonnewind resulteren in de staart van de komeet. Dat is wat wij tegenwoordig weten…..

 

Kometen en hun invloed op het middeleeuwse denken.

 

In vroege tijden waren kometen onheilbrengers. Menig ramp werd toegewezen aan kometen, die altijd wel te zien zijn. Het beroemde tapijt van Bayeux is een voorbeeld hiervan. Halley’s passage in 1066 voorspelde de uitslag van de slag om Hastings. In 1910 (Halley) verkocht men pillen tegen komeetkoorts.

 

Iets realistischer werd het met de determinatie van Fred Whipple in 1950; een komeet is een vliegende berg ijs.

Later dat jaar ontdekt Jan Oort dat kometen restanten zijn van de vorming van het zonnestelsel. Het oorspronkelijke materiaal is afkomstig uit de periode dat de grote planeten gevormd werden. De ejecta verzamelde zich in een reservoir dat we nu kennen als de Oortwolk.

 

De Oortwolk.

 

De Oortwolk is 4.5 miljard jaren oud en heeft een temperatuur van enkele graden boven het absolute nulpunt.

Daarom vermoedde men dat het materiaal ter plaatse oermateriaal was. Kometen bestaat uit ijs en stof. De verhouding was niet gekend, wat men wel wist was dat de Oortwolk de leverancier was van alle langperiodieken kometen. Het volume is zo groot dat onderlinge botsingen zeldzaam zijn.

 

De Kuipergordel.

 

De Kuipergordel is de leverancier van de kort-periodieke kometen (aantal: enkele miljarden stuks) en heeft een overlapping met de baan van Pluto. Ook hier was de stelling: kometen zijn oeroude relieken. De dichtheid van de Kuipergordel is 1000x hoger dan de Oortwolk. Onderlinge botsingen zijn gemeen goed en maken dat er in de Kuipergordel geen oerkometen meer zijn.

 

Nieuwe inzichten.

 

1970: Studies van stralingen op hemellichamen tonen aan dat, alhoewel kometen (gemiddeld) een grote afstand tot de zon hebben,  ze constant worden gebombardeerd door UV-licht dat over een periode van miljoenen jaren een oppervak kan kleuren, zelfs verduisteren. Hoogenergetische kosmische stralingen penetreren het oppervlak van kometen tot op verschillende meters diepte. Gevolg van deze bestraling is dat chemische verbindingen gewijzigd kunnen worden en zelfs de microscopische structuur van het oppervlaktemateriaal kan beïnvloeden. UV en kosmische straling creëren een korst op het oppervlak.

 

Anders denken?

 

Deze bevindingen veranderden in eerste instantie niets aan de denkwijze (1970). Men nam aan dat bij de eerstvolgende passage om de zon, de “stralingseffecten” verwijderd zouden worden, door het snel sublimeren van het oppervlakte-ijs. Ook in 1970 ging men beseffen dat het radioactieve verval van de interne massa de komeet opwarmde. Sommige kometen zouden zodanig intern opgewarmd kunnen worden dat , in extreme gevallen, hun ijs (koolstofdioxide en water) door verdamping in een vroeg stadium verloren ging. 

Eind jaren 80: Op reis naar de zon wordt een komeet gezandstraald (reeds op grote afstand van de zon).

De relatieve snelheid van de zon ten opzichte van het gas en het stof in het interstellaire medium is 100.000 km/h. Gevolg is dat elke botsing met een stofdeeltje resulteert in een stukje oppervlakte-erosie. Computermodellen tonen aan dat de kometen van een kleine 10 cm tot enkele tientallen meters in de diepte kunnen afslijten.

 

Opwarming in de Oortwolk

 

Niet alleen onze zon warmt de kometen op. Kometen die nog steeds in de Oortwolk zitten kunnen opgewarmd raken door sterren die te kort in de buurt komen van de Oortwolk. Het moeten dan wel heldere O- en B-sterren zijn. Deze sterren hebben de lichtkracht om de Oortwolk plaatselijk tot op 30 Kelvin op te warmen en dit voor een periode van enkele duizenden jaren. Supernova’s kunne ook een impact hebben. Er zijn in het verleden enkele supernova’s geweest waarvan men denkt dat ze krachtig genoeg waren op de ganse Oortwolk tot 70 Kelvin te verwarmen.70 Kelvin is nog steeds koud, maar toch al genoeg om sommige gassen te sublimeren (methaan, stikstof, andere edele gassen) en chemische reacties losmaken in het oppervlakte-ijs.

 

 

 

Komeetevolutie.

 

We zagen dat onderlinge botsingen oude kometen vernietigden en nieuwe kometen als gevolg had in de Kuipergordel. Allerhande soorten van erosie slijten het oeroude materiaal. Deze gebeurtenissen hebben als gevolg dat we niet het oermateriaal van het zonnestelsel bestuderen. Het geeft een niet correct beeld van deze materie.

 

Komeetmissies.

 

In het verleden zijn er al komeetmissies geweest, een opsomming:

1985        NASA ICE missie

1986        twee Russische Vega’s en twee Japanse: Susei en Sagigake (Halley)

1986        ESA Giotto bij komeet Halley

1992        ESA Giotto bij komeet Grigg-Skjellerup.

2001        NASA Deep Space 1 naar komeet Borrely

2004        NASA Startdust naar komeet Wild 2

2005        NASA Deep Impact

 

Giotto 1985.

ESA stuurt als eerste een sonde naar een komeet. Doel: zo kort mogelijk bij de kern van Halley (13 maart 1986) komen en observeren. Resultaten: 80% van de uitstoot is water. Zeer donker oppervlak (stoflaag). Grillige vorm met heuvels en depressies .Dichtheid van de kern: 1/3e van water. Heel kleine stofdeeltjes: < 40mg. Alle materialen (behalve stikstof) komen in dezelfde verhouding voor als in de zon.Oppervlaktelaag bestaat uit organisch, koolstofrijk materiaal.

 

Deep Space 1 & Komeet Borrely.

Op 21 september 2001 heeft het ruimtevaartuig Deep Space 1 langs de komeet gevlogen. Het is erheen gestuurd bij de verlengde missie van het toestel en heeft een onverwachte surplus opgeleverd voor de wetenschappers van de missie. Ondanks een defect aan het systeem dat diende voor de oriëntatie van het ruimtevaartuig, heeft de Deep Space 1 de beste foto’s en wetenschappelijke gegevens van een komeet van die tijd naar Aarde weten te sturen.

 

Deep Impact.

Juli 2005, de Amerikaanse ruimtesonde Deep Impact bezoekt de komeet 9P/Tempel 1. Eenmaal aangekomen zet het moederschip op 4 juli een 370 kilo zware koperen ”bal” op ramkoers met de komeet. Bij de inslag van die sonde moet een pluim van gas, stof en ander materiaal vrijkomen die ons meer vertelt over de samenstelling van kometen en de rol die ze vervullen in het heelal. We bekeken de toestellen in detail  en zagen beelden van de inslag.

 

Rosetta

In de eerste jaren na de lancering (in 2004) zal Rosetta een aantal keren rond de zon vliegen. Daarbij passeert het een aantal keren de Aarde en Mars, en maakt bij het passeren gebruik van de zwaartekracht, om snelheid te maken. Daarna gaat de ruimtesonde enkele jaren in "winterslaap", tot enkele maanden voor het bereiken van de komeet (2014). Wanneer Rosetta zich in een baan  om de komeet heeft geplaatst zal het daar ruim een jaar onderzoek verrichten. Tevens zal de sonde bestuderen hoe de coma van de komeet zich ontwikkelt terwijl de komeet de Zon  nadert. Na een aantal maanden maakt zich tevens van de ruimtesonde een lander los, Philae genaamd. Omdat de komeet een zeer geringe zwaartekracht heeft vuurt Philae vlak voor de landing twee harpoenen af, deze moeten voorkomen dat de lander weer terug stuit in de ruimte. Oorspronkelijk doel was komeet 46 P/Wirtanen. Na uitstel van de lancering koos men voor  67 P/Churyumov- Gerasimenko. Tijdens de 10-jarige vlucht hoopt men minstens 1 planetoïde aan te doen. 

 

Stardust, een stofzuiger.

Stardust (Engels voor sterrenstof) is een onbemand ruimtevaartuig dat gelanceerd is op 7 februari 1999 en landde op 15 januari 2006 om 10:11 UT. Op 2 januari 2004 vloog het langs de komeet Wild 2, deed daar metingen en maakte foto's. Het unieke van dit project was dat Stardust tijdens zijn vlucht stofdeeltjes uit de ruimte opving, tijdens de ontmoeting met Wild 2 losvliegende komeetdeeltjes opving, en het opgevangen materiaal terug bracht naar de aarde ten behoeve van nader onderzoek. In de herfst van 1995 kreeg het project groen licht, en in januari 1996 werd begonnen met de realisatie. Op 7 februari 1999 werd Stardust gelanceerd met behulp van een Delta 2 raket vanaf Cape Canaveral, Florida. Op 2 november 2002 vloog Stardust op een afstand van 3300 kilometer langs de planetoïde 5535 Annefrank en nam daarvan een aantal foto's. Toen Stardust in januari 2004 langs de komeet Wild 2 vloog, werden losvliegende komeetdeeltjes opgevangen met behulp van een speciaal materiaal genaamd aerogel.

 

Aerogel wordt gemaakt van vier chemicaliën die na menging een gel vormen. Deze gel wordt gedroogd door het onder hoge druk te verhitten. Het is extreem poreus materiaal, en heeft daarom een extreem lage dichtheid.

Testen met aerogel hebben aangetoond dat dit materiaal deeltjes kan opvangen die een snelheid hebben van maximaal 10 km/seconde (ongeveer 6 keer zo snel als een geweerkogel). Bovendien moet de schade die de inslaande komeetdeeltjes aan het ruimtevaartuig veroorzaken beperkt blijven. Voor ruimtevaartbegrippen is 10 km/seconde echter een betrekkelijk lage snelheid, of beter gezegd een betrekkelijk lage relatieve snelheid.

Er moest dus voor Stardust een traject worden bedacht waarbij de snelheid van het ruimtevaartuig ten opzichte van de komeet tijdens de ontmoeting betrekkelijk laag was. Het gekozen traject zorgt er voor dat Stardust langs de komeet zal vliegen met een relatieve snelheid van 6,2 km/seconde, zodat de aerogel voldoende komeetdeeltjes heeft kunnen opvangen. Deze ontmoeting vond plaats op 2 januari 2004 op een afstand van 300 kilometer tot de komeet. We zagen beelden van de Aerogel, de landing van de sonde en enkele inslagen in de aerogel-tegels.

 

Internet-onderzoek

Het vinden van de uiterst kleine interstellaire deeltjes zal niet makkelijk zijn. Men bekijkt de samples met een microscoop en met zodanige vergrotingen dat het beeldveld niet veel meer is dan de diameter van een zoutkorrel.

Een vergelijking van deze opdracht: Zoek en vind 45 mieren op een voetbalveld. Bekijk telkens gebiedjes van 5 cm op 5 cm. Je moet dus 1,6 miljoen veldjes doorzoeken. (niet alleen oppervlakkig!) Het Stardust-team alleen zou hier 20 jaren mee  bezig zijn.

 

 

Nieuwe inzichten?

Onderzoek heeft aangetoond dat het oude inzicht betreffende oermateriaal niet helemaal dat is wat we dachten.Nieuwe gegevens, resultaten van de laatste missies, ze zullen zeker volgen!! De eerste beelden voor de microscopische zoektocht werden vrijgegeven in April 2006. Kern van het verhaal is dat we voorzichtig moeten zijn met de term “kometen, dat is oermateriaal!” Het zal wel voor een groot gedeelte zo zijn, maar niet voor de volle 100%. En dan is het nog maar net welke komeet. Voorzichtigheid is geboden! In nabeschouwing reflecteerden we nog even over het verschil  kort- en lang periodieke kometen en hadden het even over de heel actieve komeet 73/P Schwassmann Wachmann. De gefragmenteerde komeet voert een hele show op. Zeker kijken!

 

De voorzitter dankte Lambert en overhandigde een fles wijn om de keel terug te smeren.

 

 

Reisverslag Namibie 2004

 

 Het tweede luik, die avond was een diapresentatie door Nico de Jongh, een oude bekende. Nico liet ons deelnemen aan een expeditie naar Namibië die hij samen met Josch Hambsch (Mol) ondernam in 2004. Voordat Nico van wal stak adviseerde hij ons om eens een bezoek te brengen aan de website van Josch. Op deze website kan je schitterende beelden vinden die Josch zelf maakt. De kwaliteit van deze beelden is onvoorstelbaar. Resultaten als deze laten zien dat zelfs een amateur-astronoom  professioneel werk kan leveren. De website kan je bereiken via de VVS-site, maar je kan ook rechtstreeks naar http://www.astronomie.be/hambsch.

 

Het reisverslag begon met een landkaart. Nico situeerde het uiteindelijke doel van de expeditie op de kaart; Hakos Guest Farm, aan de voet van  Gamsberg Mountain (2000m hoogte), een kleine 130 km verwijderd van Windhoek, de hoofdstad. Het domein is een slordige 16.000 ha groot en de accommodaties en leefritmes zijn volledig afgestemd op amateur-astronomen. De Gamsbergen (zie foto) zijn twee tafelbergen. Op hun toppen plande men vroeger een heuse professionele sterrenwacht. Het Max Planck-instituut deed er prospectie, bouwde enkele gebouwen en hun bevindingen waren dat deze locatie tot de wereldtop behoorde. Politieke beslissingen deden echter het deksel op de pot en de uiteindelijke sterrenwacht kwam niet op de Gamsbergen, maar weken uit naar Chili. De plaatselijke politieke onstabiliteit, toentertijd, hebben deze beslissing in de hand gewerkt. De gebouwen werden overgedragen en de uitbater van de Hakos GuestFarm vulde als eerste een gat in de markt en stelde haar faciliteiten ten dienste van de amateur-astronomen. Na Hakos zijn er nog andere gevolgd.

 

In de onmiddellijke omgeving van de guestfarm is het IAS, een Duitse amateur-sterrenwacht. Als lid kan men waarnemingstijd “kopen”. De sterrenwacht van  Hakos is ook niet mis, je hebt een heuse C-14 op een Liebherrmontering ter beschikking, er is een 45 cm astrocamera, er zijn legio zuiltjes met bijhorende kijkers.  Mensen die het boek “DeepSky Splendors”van Hans Vehrenberg hebben zullen opmerken dat de locatie en de montering bekend is. Inderdaad; Hans Vehrenberg heeft hier diverse opnames gemaakt voor bovenstaande fotografische sterrenatlas. De montering werd door Hans Vehrenberg geschonken aan uitbater Walter.

 

 

Relatief vlakbij kan je de telescopen van het H.E.S.S.-project ( High Energy Stereoscopic System) gaan bekijken. De naam refereert naar de ontdekker van de kosmische straling, Victor Hess. Hij ontving in 1936 de Nobelprijs voor Fysica. Men verricht hier onderzoek naar gammastraling. De hooggevoelige ontvangers steekt men overdag weg in de huisjes die je rechts op de foto kan zien. In totaal zijn er 4 schotelantennes.

 

Voor de polyglotten onder ons schakelen we heel even over naar het Zuid-Afrikaans: BHE gammastrale is elektromagnetiese straling met ‘n energie van ongeveer 1012 eV, wat baie hoër as dié van X-strale is. Daar is gevind dat hierdie tipe straling deur sterre onder ekstreme toestande uitgestraal word, bv. in supernovas, pulsare, aktiewe galaksies en X-straal binêre sisteme. Hierdie gammastrale beweeg ongehinderd vanaf die bronne en deur dit waar te neem kan die aard van die bron ondersoek word. Hierdie inligting kan onder meer ook gebruik word om te probeer vasstel waarvandaan die alomteenwoordige kosmiese strale kom, en om die aard van die interstellêre medium te ondersoek. Om het maar eens even in hun eigen woorden te zeggen.

 

 

 Na enkele dia’s van de omgeving kwamen we toe aan het hoofdstuk astro-opnames.  Nico had een hele batterij camera’s meegenomen en lenzen in de range van 28 mm tot 300 mm. Fotograferen deed Nico met de roodgevoelige  Elitechrome op f4 en als belichtingsduur nam hij ca 1 uur. De camera’s reden piggyback op de grote kijkers. Dit wil zeggen dat je de camera gewoon boven op de hoofdkijker plaatst en laat die het werk maar doen. Dergelijke monteringen zijn zwaar genoeg om randapparatuur te ondersteunen. Naast deze camera’s hadden Josch en Nico ook de beschikking over een Takahashi FSQ 530 mm f3.8 en enkele CCD-camera’s Overdag was het een gemoedelijke 20 tot 25 graden, in de nacht koelde het af tot 3 graden. Het kon zelfs vriezen! Hoogste tijd  voor de opnames! Nico begon deze reeks door eerst de melkweg te scannen met een 28 mm lens. Heel duidelijk was de “ruggengraat” te zien. De donkere stofnevels, de het abundante van de emissienevels, de fonkelde open sterrenhopen, de bolhopen. Beeld voor beeld taste we de ganse zuidelijke melkweg af. Heel mooi. Naargelang de reeks vorderde werden de vergrotingen zichtbaar. Nico bouwde de reeks op aan de hand van lens-brandpunt. We zoomden als het ware in op de zuidelijke sterrenhemel. Daar waar we in het begin al onder de indruk waren, het werd steeds beter! Objecten als de Magelhaanse wolken, 47 Tucanae, de Pijpnevel, de Omega Centauri, Centauri A, de Zandloper, de Tarantulanevel, de Kattepoot, een hele resem Messier-objecten, Index Catalogue’s, NGC’s, noem maar op, het was er allemaal.  Op den duur waren we al details van objecten aan het bekijken. Sterrenkundige items aan de rand van de Kolenzak, sterrenhopen in emissienevels, blauwe nevels, rode nevels, groene nevels; Nico liet ons weten dat deze gebieden de kleurrijkste zijn die je überhaupt ergens kan zien. De laatste beelden waren genomen met een 300 mm telelens. Sommige objecten paste niet meer in het kader. Nog meer details te zien; verbluffend mooi (wanneer vertrekt dat vliegtuig?). Individuele sterren van bolhopen werden  zichtbaar. Heel subtiele details, die je visueel niet te zien krijgt werden duidelijk weergegeven op de gemaakte opnames. Het was overweldigend en als je dit ziet begrijp je dat mensen die een dergelijke expeditie gedaan hebben met alle geweld terug willen gaan. Onder luid applaus beëindigde Nico zijn reisverhaal en kreeg van de voorzitter een dankwoord en een fles overhandigd om de keel te smeren.

 

Na deze beide voorstellingen was het tijd voor een hele reeks groepsfoto’s en koffie. We hebben aangename gesprekken gevoerd en een bezoek gebracht aan de sterrenwacht van Lucas Pellens. Hou je vast: in de sterrenwacht een heuse Obssesion 20”.  Vrij vertaald en onder de noemer “think big”, dit is een dobsonkijker met een spiegel van 50 cm. Een juweel! De kijker is voorzien van digitale verdeelcirkels, een heel professionele focuseerinrchting en een Telrad-finder. Opvallend was hoe goed de kijker uitgebalanceerd was. Het hele gevaarte (en dat is niet niks) kan je met één vinger roteren. We hebben met Lucas Pellens een hele tijd over de kijker gesproken.  Bij het huiswaarts keren (het was al een eind na middernacht) hebben we iedereen bedankt en hopen hen terug te zien in 2007 als wij op onze beurt Aquila-Lommel zullen ontvangen.

 

Deze gezamenlijke bijeenkomst hoort heel zeker thuis in de lijst van topevenementen die Noorderkroon in haar 28 jarig bestaan heeft opgebouwd. Aan hen de niet aanwezig konden zijn: maak volgende keer zeker tijd vrij om dit mee te maken.  

 

Foto's worden op een later tijdstip toegevoegd.

18:30 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

08-04-06

jaarlijkse uitstap 2006

8 April 2006, 08.00u aan de Achelse kerk. Noorderkroon-Achel vertrok op haar jaarlijkse uitstap. Dit jaar hadden we een goed gevulde agenda. We deden als eerste doel de Jezuïetengrot te Kanne aan . Kanne is toeristisch vooral bekend omwille van zijn grotten. Reeds in de Romeinse tijd werd hier, zij het op beperkt schaal en eerder oppervlakkig, mergelzandsteen ontgonnen voor de constructie van villa's, herenhuizen en openbare gebouwen.

Het ontstaan van de grotten door een systematische exploitatie van mergelzandsteen situeert zich vooral in de late middeleeuwen en het Ancien Régime. De uitholling van de Kannerse mergelbergen speelt zich dus hoofdzakelijk af tussen de 14de en de 19de eeuw. In Haspengouw en de Maasvallei zijn heel wat gotische kerken en kastelen (14-16de eeuw) in deze natuursteen opgetrokken. In het Ancien Régime, toen de Maaslandse renaissance en de barok het architecturaal landschap beheersten, werd mergelzandsteen gebruikt voor het lijstwerk en verwerkt in de horizontale speklagen. De mergelgrotten van Kanne situeren zich vooral in de noordwestelijke dalhelling van de Jekervallei. De oppervlakte van het ondergronds gangenstelstel bedraagt ca. 60ha. De gangen zijn 4 à 5 meter breed en 6 tot 10 meter hoog en hebben een totale lengte van 18 kilometer. Onze chauffeur had zijn handen vol om de bus tot op de parking te brengen. Smalle weegeltjes en paaltjes die steeds net in de weg stonden maakte van de ritten een hele belevenis.

 Net naast het kasteel van Neerkanne, aan de oevers van de Jeker verzamelden we aan de hoofdingang en werden we gesplitst in twee groepen met ieder een eigen gids. De fraters Jezuïeten moesten vroeger (100 jaren geleden) door een 40 meter diepe put, wou men in de grot komen. Onze gids wist te vertellen dat de fraters vroegen elke woensdagnamiddag vrijaf kregen en men mocht het klooster verlaten. De fraters gebruikte deze vrije tijd om in de grot zich over te geven aan artistieke uitingen  zoals houtskooltekenen en beeldhouwen. Voordat men aan de slag kon moesten de  ondergrond eerst schuren en polijsten, dan pas kon men tekenen of beeldhouwen.

 

 

 Een geleide tour bracht ons langs verschillende hoogtepunten en het verhaal van de gids deed ons beseffen dat de omstandigheden waarin deze kunstwerken geschapen werden niet altijd evident waren. De constante kilheid van de grot (8 tot 10 graden) en een constante luchtvochtigheid van 98% maakte dat na een lang verblijf alles klets en kletsnat en koud was. Dit was de reden waarom men de kleding bewaarde in grote blikken. Bedenk dan ook nog dat men als enige lichtbron een klein schamel lichtje had, dan ga je heel anders tegen de artistieke verwezenlijkingen aankijkt. Wat ook opviel was een kunstzinnige diversiteit. We zagen Javaanse engelen, Arabische thema,s, een drie meter hoge buste van Ramses, complete landkaarten in reliëf, schitterende reproducties van schilderwerken, een ode aan de sprookjes en figuren van Wat Disney, ga zo maar door. Men had een ongekende culturele vrijheid betreffende de thema’s.

We weten nu ook dat de westelijke doolhof van gangen eigenlijk een militaire bunker is die men momenteel aan het renoveren is. Vroeger stelde de Duitse bezetter dwangarbeiders te werk in deze gangen. Niet de Duitse soldaten, maar recentere vandalen hebben in het verleden lelijk huisgehouden in de gangen.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de galerijen een industrieel archeologisch decor voor de kweek van kampernoelies en dit vooral omwille van hun constante temperatuur en luchtvochtigheid.

Bezoek aan de grotten is mogelijk door vooraf te reserveren via de VVV-Riemst of contact te nemen met de heer Jean-Pierre Willems (012/45.53.55). Het geleid bezoek duurt ca. 1 uur. Je maakt er kennis met de traditionele mergelontginning en de ondergrondse kampernoeliekweek. Je bezoekt er een ondergronds museum met kalkfossielen in een decor van kleurrijke fresco's uit 1954.

Op weg naar de lunch passeerde we de kalksteendoorsteek van het Albertkanaal. Hier wist Jan Hermans ons heel wat te vertellen over de tonnages die hier jaarlijks passeren.  Tussen de boomtoppen zagen we het fort van Eben-Emaal en even later schakelden we even over op het aansterken van de interne mens; de lunch. Na deze plichtpleging (het was lekker, Jan!) zetten we onze reis verder met een bezoek aan het grootste Amerikaanse Oorlogskerhof in Europa, gelegen in Margraten. 

Aangekomen viel meteen het 15 meter hoge monument op dat een heel prominente plaats inneemt op het 26 ha grote gebied. Men kan hier niet minder dan 8.301 graven van gevallen soldaten vinden. Voor het monument op twee reusachtig lange muren nog eens de namen van 1722 gevallen soldaten waarvan men niets teruggevonden heeft. Zij rusten in een naamloos graf. Ook hier weer wist Jan Hermans het een en ander te vertellen over de symboliek van de kruizen, de halvemaanvormige opstelling daarvan en de plaatselijke begroeiing. Heel indrukwekkend, allemaal.

 

Na het bezoek aan het oorlogskerkhof terug de bus in voor het betere bochtenwerk over de smallen veld- en dorpswegen (weer die stomme paaltjes en verkeersplaten die meestal in de weg stonden) richting Wylre op zoek naar de dubbele watermolen. een specialiteit. De molen heeft twee werkende raderen (eentje van 5 m en eentje van 6 m doormeter) en het riviertje de Geul zorgt voor de nodige aandrijving. Voor de molen hebben we een groepsfoto genomen.

 

 

 

Op weg naar de hoofdattractie, een bezoek aan Explorion, de sterrenwacht Schrieversheide in Heerlen. Roel Kwanten, een oude bekende, wachtte ons op aan de ingang. Voor velen onder ons was die een leuk weerzien met Roel. Omdat het op 8 april toevallig museumdag was in Nederland stond de koffie al klaar. Toen we allemaal een tas genuttigd hadden begon men met een multimediavoorstelling over sterrenkunde, vooraf gegaan door een korte presentatie van kunstzinnige neonverlichting. Het astronomische deel  begon met een weergave van satellieten. Eerst een paar, later een ganse wolk. Omdat er zoveel satellieten zijn moet men bij lanceringen hier wel degelijk rekening mee houden. Na de satellieten was het de beurt aan de planeten en vervolgens een verfrissende (en bijna conferencierachtige)  presentatie van het mythologische verhaal van Andromeda, (troela-)Casseopeia, Cepheus, Cetus, Medussa en de held Perseus (zie je wel….)  . Voor diegene die het volledige mythologische verhaal kenden waren de vele kwinkslagen die de beste man er tussendoor boterde een  hilarische en toch verfrissende waterval van zinspelingen. Een kunst op zich…  

 

 

Na deze uiteenzetting verzamelde de gehele groep onder de koepel en we bewonderden de 24 cm refractor waarvan we te horen kregen dat men die toentertijd ruilde voor twee 10 cm-kijkertjes. Ongelofelijk. Wat is dat toch met die oude refractors? Zij die eerder met ons meereisde naar de Armand Pien sterrenwacht te Gent weten dat ook daar een schat van een telescoop jarenlang verloren in een afgesloten zolder stof lag te vergaren. Als je weet wat een dergelijke kijker waard is…..moeten we misschien eens wat zolders gaan bezoeken, wie weet?

Men liet ons de kans eventjes door de kijker naar een verafgelegen betonfabriek te kijken, terwijl men buiten het  raketlanceringsplatform klaarmaakte.

De eerste drie lanceringen resulteerde in 4,5 liter H2O in vrije vlucht. Na deze drie waterraketten werd het tijd om met vuur te gaan spelen. Heuse kartonnen raketjes werden met veel animo het zwerk in gestuurd. Mooie rook en geureffecten!

 

 

Nog even nakaarten, Herman Lehaen nog snel, snel even een pakketje Starry Night Pro inleggen en dan onder druk van de eerste regendruppels die dag, in een spurt naar de bus. Het zat er op. Tenminste, eerst nog even buffelen in een AC-restaurant te Nederweert, nog wat gezellig nakaarten, oude vriendschappen nog wat aanhalen, nieuwe vriendschappen zeker stellen en dan uiteindelijk op weg naar Achel. Onze voorzitter liet nog een dankwoord door de bus galmen en op het Michielsplein heeft het bestuur in volle tevredenheid en unanimiteit reisleider Jan Hermans geprezen, bedankt en uitgeroepen tot reisleider voor het leven. Als Jan het doet, doet Jan het goed. Zo mogen we het graag!! Benieuwd wat Jan volgend jaar voor ons in petto heeft…. Tot dan!!!

23:50 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

24-03-06

Verslaggeving Maart 2006

Verslagen Nationale sterrenkijkdagen 2006.

 

Vrijdagavond, 20.00u. Het zag er niet al te schitterend uit, een licht bewolkte hemel en een dreigende mist. Toch besloten om de 102 mm lenzenkijker op te stellen op de toren en het waarnemen te starten. Geert Schuurmans had zijn eigen kijker meegebracht en werkte hiermee op het waarnemingsplatform, buiten de sterrenwacht. Onmiddellijk na de start trok de hemel quasi dicht en hebben we even afgewacht: de juiste beslissing, want eerst heel twijfelachtig maar toch, de hemel trok open. We hebben enkele groepen bezoekers mogen ontvangen die gretig door de kijker gekeken hebben naar de maan, Saturnus, Orionnevel, open sterrenhopen, bolhopen, satellieten en dies meer. Het lijkt wel traditie, maar ook deze keer hadden we weer internationaal gezelschap. Er waren bezoekers die (net uit het vliegtuig) vanuit Noorwegen naar onze sterrenwacht kwamen, bezoekers vanuit Zonhoven, Bocholt, Hamont,…. Tijdens het waarnemen kwamen vragen van alle kanten. Gesprekken zoals hoe je moet kijken, wat je kan verwachten,  wat je ziet, wat een kring kan bieden, etc., het was er allemaal! Wat opviel deze keer, was dat de bezoekers die we mochten ontvangen langer dan gebruikelijk op de toren bleven en samen met ons deze eerste nationale kijkavond tot een succes maakten. De publicaties die VVS ons ter beschikking werden gretig meegenomen. We sloten af met een frisse pint in de taverne en keerden huiswaarts rond de klok van 00.30u. Op dat moment zat de hemel potdicht. Even afwachten wat zaterdag zal brengen (mocht de hemel dicht zitten (laat ons hopen van niet), we hebben nog steeds een vervangprogramma ter beschikking).

 

Zaterdag, 20.00u Een korte samenvatting van de tweede sterrenkijkdag. Zaterdagavond was het een stuk beter dan vrijdag. De hemel boven Achel was helder, met een beetje (niet hinderende) sluierbewolking aan de zuidelijke horizon. De maan, Saturnus en Mars kwamen kristalhelder in beeld. De opkomst en belangstelling tijdens de tweede kijkdag was beduidend groter. Op een gegeven moment moesten we het publiek in groepen splitsen, een groep aan de kijker en een groep buiten op het waarnemingsplatform voor sterrenbeeldherkenning. Onder de koepel van de sterrenwacht keek men gretig naar de maan, de planeten Mars en Saturnus, de Pleiaden, de Orionnevel,….. Op het platform hebben we de sterrenbeelden getoond en meteen de mythologie van elk sterrenbeeld aangehaald. Geert had zijn kijker weer opgesteld en Job werkte met zijn grote binoculair. Tijdens de buitensessies zagen we enkele meteoren de hemel doorklieven (helaas geen vuurbol!). Terwijl binnen, op verzoek van het publiek, de kijker  vooral gericht werd op maan en planeten, hebben we buiten met de bino’s diverse deepsky-objecten kunnen waarnemen. De vice-voorzitter van de VVS, Stijn De Jonge, heeft ons bezocht en enkele sfeerbeelden genomen. Al met al kunnen we stellen dat zaterdag beter was dan vrijdag, zowel qua opkomst als zichtbaarheid. Eindconclusie Nationale Sterrenkijkdagen 2006: zeer geslaagd!! We hebben als kring weer een doelstelling verwezenlijkt; het promoten van de sterrenkunde. Reacties van bezoekers waren een uitstekende graadmeter. Er waren verschillende bezoekers waar we zeker meer van gaan horen. Verschillende mensen hebben het adres van onze website opgevraagd en zullen ons langs deze weg volgen. Met dank aan VVS voor de organisatie en het verschaffen van diverse publicaties en dank aan de leden die zich  ingezet hebben teneinde deze editie van de Nationale Sterrenkijkdagen te laten slagen. Rendez-vous in 2007!!!

                                                                                                                                                    LBe

 

 

Verslag van Noorderkroon-bijeenkomst op 18 maart 2006.

 

Bijeenkomst samen met VVS-voorzitter Claude Doom en afdelingscoördinator Dirk Devlies met als thema Botsende sterrenstelsels. De voordracht “botsende sterrenstelsels” was een presentatie door de VVS-voorzitter.

 

Onderzoek naar botsende stelsels is jong. Het is pas de afgelopen 10 jaren dat men inzicht heeft gekregen in deze materie. Nochtans is dit het fenomeen “botsende sterrenstelsels” een heel essentieel proces.. Voor de evolutie van sterrenstelsels zijn botsingen onmisbaar. De werking van sterrenstelsels kan niet gegarandeerd worden als er geen botsingen zouden zijn.

 

Claude Doom begon zijn presentatie met enkele beelden van onze melkweg. Nu… op zich zijn dit geen realistische beelden, gezien het feit dat we in het stelsel zelf zitten. Claude vergeleek dit met een groot bos. Als je in het bos zit, kan je helemaal geen beeld vormen van het bos in zijn totaliteit. M.a.w. je ziet door de bomen het bos niet meer. De totale vorm ontgaat je. Ook zo als je een beeld probeert te vormen van ons melkwegstelsel. Radiogolven helpen ons een beetje en zodoende kon Claude ons een beeld voorschotelen hoe ons melkwegstelsel eruit ziet. Het geprojecteerde beeld gaf de onlangs ontdekte balkspiraal weer. Wat opviel op de afbeelding waren de talrijke “hotspots”, rode gasgebieden (HII) en jonge, hete (blauwe) sterren. Het intense UV-licht van de jonge sterren ioniseert het gas.

 

 

Negentig percent van alle jonge sterren zitten in de schijf en doen er 250 miljoen jaren over om een rondje rond het centrum van het stelsel te maken. De sterren in het centrum draaien sneller dan die in de buitengebieden. Het hele rotatieproces van traag en snel maakt dat spiraalarmen niet blijvend zijn. Na verloop van tijd zullen spiraalarmen verdwijnen. Als je de sterren in een stelsel gaat opdelen in oud en jong merk je ook op dat de oudere sterren, de rode reuzen, homogeen verdeeld zijn. De dikte van een spiraalvlak is ruwweg 2 % van de diameter van het stelsel. De donkers stofbanden die je in vele stelsels kan zien zijn ook heel belangrijk. Donkere stofwolken zijn koud (- 240° C) en maar goed ook, want enkel dan kan instorting gebeuren.

 

Dichtheidsgolven  in dichtgewonden spiralen gaven een heel duidelijk beeld van spontane stervorming. Claude vergeleek de dichtheidsgolven met files. Op de beelden was heel duidelijk te zien welk een effect de dichtheidsgolven hebben op een sterrenstelsel. Kijkje naar “lossere”spiraalstelsels dan zie je andere verschijnselen. Je kan er vreemde, niet stelsel-eigen sterren vinden. Kannibalisme is het enige echte antwoord dat je op dit vraagstuk kan vinden. Sterren die achterblijven na een botsing.

 

 

Enkele voorbeelden van sterrenstelsels die we in detail bekeken:

M82 = onregelmatig stelsel.  Botsing van 2 stelsels.

M87 = elliptisch sterrenstelsel = gigantisch groot en zwaar = 6 x zo groot en zo zwaar als ons stelsel.

In M 87 kan je geen jonge sterren vinden: het is er oersaai, enkel rode sterren, geen nevels, geen stofbanen. Dan zijn er ook nog de  dwergellipsen, sterrenstelsels, te vergelijken met supergrote bolhopen. De bekende Hubbleclassificatie van 1936 is puur op vorm, niet op evolutie. Stelsels hoeven niet strikt het stemvorkvormige schema te volgen. In een gemiddeld stelsel zitten er 100 miljard sterren  10 %  daarvan zit in de bult, 90 % in de schijf rond de kern. Er zijn clusters van stelsels: stelsels zitten dicht op elkaar. Dit gegeven leidt weer  tot speciale vormen van sterrenstelsels.

Als voorbeeld nam Claude Abell 2218 en toonde de  interactie tussen de nabije stelsels.

M51 heeft een materiebrug en uitgerokken spiraalarmen. Op de foto’s kan je duidelijk bruggen en staarten zien. Op simulaties kregen we duidelijk te zien waar die vandaan kwamen.

 

 

NGC 4038, de Antenne toont een botsingsgebied. Weet wel dat sterren, onderling niet botsen: de afstand tussen sterren is te groot. Moleculaire wolken, daarentegen botsen wel. Moleculaire wolken zin enkele honderden parsec grootte. Als dergelijke structuren botsen heeft dat gevolg. Hevige stervorming, die we mooi kunnen zien op afbeeldingen van botsende stelsels. Het botsen op zich heeft naast stervorming (1e gevolg) nog een ander gevolg: de stervorming zal met een factor 10 tot 100 opgeschroefd worden en als 2e gevolg raakt het gas opgewerkt. Met andere woorden; uiteindelijk zal er geen gas meer over zijn om nieuwe stervorming te genereren. Dit hoeft niet perse het onmiddellijke gevolg te zijn na 1 botsing, er kan genoeg gas zijn om meerdere botsingen te overleven, maar uiteindelijk raakt het op. Dan pas is het gedaan met stervorming.

Een andere afbeelding toonde Arp 295 met zeer lange staarten. Een beeld van frontale botsing bij NGC 2207, weer een ander beeld; NGC 3310, een dwarsbotsing en  AM 0644 ( cirkelvormige spiraalarmen met spaken. )

Evolutie in een zeer zwaar stelsel zonder gas en stof is hoogst instabiel. Na  250 miljoen jaren houdt het op te bestaan. Weer een andere afbeelding toonde aan dat er een materiebrug van gas bestaat tussen de Magelhaanse wolken en een gasarm naar ons eigen melkweg. Deze armen tonen aan dat er in het verleden al botsingen geweest zijn en het zullen niet de laatste zijn.

 

Het ontstaan van bruggen en staarten door getijdenwerking werd aan de hand van een schema verduidelijkt. De staart blijft achter in beweging en de materiebrug gaat achtervolgen (ten opzichte van het centrum). Hoog tijd voor enkele simulaties van interacties. Jan merkte op dat de draairichting van de botsende sterrenstelsels een belangrijke rol spelen. Claude beaamde dit. We bekeken verschillende simulaties en kwamen tot de vaststelling dat alle “korte”-botsingen resulteren in mergers. Mergers zijn samensmeltingen van stelsels. Twee of meer stelsels gaan in een heel ingewikkeld patroon om elkaar heen roteren, materiaal wordt uitgewisseld en uiteindelijk blijft er maar één over. Heel af en toe kan men bij dergelijke mergers zien dat er sterren ontsnappen, maar dit is heel zeldzaam. Claude toonde een simulatie van 6 sterrenstelsels in botsingskoers, met als resultaat een merge tot één enkel superzwaar elliptisch stelsel. Andere simulaties werden in detail bekeken en besproken; M51, de Antenne, De Muizen en het Karrewiel.

 

 De simulatie van het Karrewiel liet een passage van een klein stelsel zien dat loodrecht doorheen het centrum van een groter stelsel trok, met als resultaat een schitterende weergave van een karrewiel, kompleet met spaken. Ook deze constructie is onstabiel. Een laatste simulatie toonde ons eigen stelsel met Andromeda. Over 6.8 miljard jaren zal er slechts één stelsel overblijven. Onze eigen zon zal dit nog meemaken, zij het in haar laatste dagen. Of de aarde dan nog bestaat…..

 

Om 22.00u was het verhaal ten einde en er werden nog enkele losse vragen gesteld. We keken even naar beelden van onze kringverwezenlijkingen: het planetenpad, de geologische tuin, de zonnewijzer en de sterrenwacht.

 

Na deze beelden vroeg Bram het woord en deed de avond in mineur eindigen. Opgekropte frustraties vonden hun weg tijdens een bijeenkomst en dat terwijl we Bram al meerdere malen de kans hebben gegeven zijn grieven kenbaar te maken en onze kant van het verhaal te horen, na een bijeenkomst en in het gezelschap van het voltallige bestuur. Bram heeft daar geen gebruik van willen maken en gewacht tot de nationale voorzitter en de afdelingscoördinator aanwezig waren. Een rare manier van communiceren. Dit gegeven en het feit dat Bram de vorige bijeenkomst (Bram zou een presentatie doen van de ESA-DVD) op het allerlaatste moment afzegde, maakt van dit gebeuren al het tweede incident dit jaar. Heel jammer, allemaal.

 

Niettegenstaande dit alles, dankte onze voorzitter de aanwezigen voor hun aandacht, de nationale voorzitter en afdelingscoördinator voor hun aanwezigheid en de boeiende lezing.

                                                                                                                                                  LBe

00:30 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

12-02-06

Exoplaneten, de jacht op terrrestrische planeten.

Exoplaneten

Wat zijn exoplaneten?

 

Onder de noemer “exoplaneten” vallen alle planeetachtige hemellichamen die buiten de invloed van onze eigenste zon vallen, de extrasolaire planeten. Het zijn planeten die rond een andere ster draaien.

 

Er zijn twee manieren waarop het bestaan van exoplaneten kan worden aangetoond. De eerste is te meten of er een wijziging in de draaiing van een ster zit. Die zou worden veroorzaakt door de sterke getijdenwerking tussen de ster en de exoplaneet. De andere manier is om te meten of  de planeet zich tussen ster en de aarde bevindt, waardoor er minder licht gemeten wordt.

 

Het probleem met planeten rond andere sterren is dat ze, zelfs met de sterkste telescopen op aarde, niet zichtbaar zijn. Ze stralen namelijk zelf geen licht uit, maar weerkaatsen slechts het licht van de ster. Aangezien de planeet meestal relatief dicht bij de ster staat overstraalt deze laatste de andere in duizendvoud. Maar de aanwezigheid van een planeet kan ook afgeleid worden van de zwaartekracht die hij uitoefent op de ster in kwestie. Een voldoende grote planeet zorgt er namelijk voor dat de ster zelf ook een beetje in de richting van de planeet wordt getrokken, en op die manier roteren ze eigenlijk rond een gemeenschappelijk zwaartepunt. Door gebruik te maken van het dopplereffect kan de beweging van de ster gemeten worden. Hiermee kan de baan en de geschatte massa van de exoplaneet worden berekend.

 

Bedekkingsveranderlijke.

 

Een tweede manier die soms wordt gebruikt om de aanwezigheid van een exoplaneet aan te duiden is het feit dat de planeet een deel van de ster afdekt als hij in zijn omloopbaan tussen ons en de ster komt te staan. Op deze manier verandert de lichtintensiteit van de ster in een specifieke manier en kan men ook een berekening maken van de planeet.

Vereiste is natuurlijk dat de baan van de planeet in line of sight is, m.a.w. de planeet trekt effectief voor de ster door. De eerste echte exoplaneet is ontdekt in 1995 en kreeg de naam 51 Pegasi mee. Hierna zijn nog tientallen andere ontdekkingen van exoplaneten gedaan, tot heuse planetenstelsels toe, bijvoorbeeld  Upsilon Andromedae.

 

De zoektocht naar planeten buiten ons zonnestelsel gaat nog altijd voort en door de voortdurende verfijning van de apparatuur worden ook steeds kleinere planeten ontdekt.

 

In augustus 2004 werd een nieuwe fase ingezet toen er een exoplaneet werd ontdekt van slechts 14 aardmassa's, waarvan voor het eerst verwacht wordt dat dit een terrestrische planeet  zal zijn. Er moet wel vermeld worden dat de meeste van deze planeten gasreuzen  zijn (zoals onze planeet Jupiter) en dus niet bewoonbaar zijn, noch geschikt om op te landen. Een eigenaardigheid wat de astronomen bezighoudt is ook dat deze reuzenplaneten bijna allemaal zeer dicht bij hun ster staan in vergelijking met ons zonnestelsel. Een mogelijke verklaring hiervoor kan natuurlijk wel zijn dat we nu alleen de planeten vinden die dicht bij de ster staan en deze ook sterk beïnvloeden. Het zou later evengoed kunnen blijken dat deze eerder uitzondering dan regel zijn. Om de zoektocht naar planeten die meer op onze aarde lijken uit te breiden werkt Nasa aan de Kepler-missie die over enkele jaren gelanceerd zal worden.

 

De Kepler-telescoop.

Triple-sterrensysteem.

 

Astronomen hebben onlangs een planeet ontdekt in een driesterrensysteem, een observatie die de huidige theorieën van het ontstaan van planeten ontkracht. De planeet, een gasreus iets groter dan Jupiter, draait om de belangrijkste ster van het HD188753-stelsel, in het sterrenbeeld Zwaan, en heet daarom HD188753Ab. Het sterrentrio ligt ongeveer 149 lichtjaar van de aarde. De planeet draait elke 80 uur om de belangrijkste ster op een afstand van ongeveer 8 Gm, een twintigste van de afstand tussen de aarde en de zon. De andere twee sterren tollen in 156 dagen om elkaar heen en omcirkelen de hoofdster elke 25,7 jaar op een afstand die ze in ons sterrenstelsel tussen Saturnus en Uranus zou plaatsen.

 

In 2001 richtte een Pools team de 1.3m Warsaw Telescope in Chili naar het centrum van de melkweg. Gedurende 32 nachten bestudeerde ze het zwakke licht van 52.000 sterren. Hun doel; het vinden van planeten. Eén ster viel op. Op een afstand van 5000 lj straalde de ster met een schijnbare magnitude van m16,6. Men zag een lichte daling in helderheid die regelmatig terugkwam. De cyclus duurde telkens exact 108 minuten en herhaalde zich elke 1,2 dagen.

Men was niet zeker en schakelde een ander team in op de Keck sterrenwacht in Hawaii.

 

In januari 2003 bevestigde dit team aan de hand van dopplerwaarnemingen de allereerste ontdekking door middel van bedekking en confirmeerde een Jupiterachtige planeet.

Het vinden van  extrasolaire planeten is bijna routine geworden, doch geen enkele van de ontdekte planeten is een “aardkarakteristieke”, een exo-aarde. Het vinden van zo een planeet, misschien met een bepaalde levensvorm, zou een enorm belangrijke ontdekking zijn.

 

Opmerkelijk bij deze ontdekking was dat de omlooptijd van deze planeet (1,2 dgn) uitkomen op een afstand van 3,2 miljoen km van de ster wat maakt dat haar oppervlaktetemperatuur rond de 3000 graden zit, bijna zo heet als het oppervlak van sommige sterren. De nieuwe planeet OGLE-TR-56b komt in de lijst van 120 andere exoplaneten, ontdekt de afgelopen negen jaren.

 

De ontdekte planeten verschillen in massa. De zwaarste tot nu toe, heeft 17 Jupitermassa’s, terwijl de lichtste een heel klein beetje meer dan 1/10e van de Jupitermassa heeft. Sommige hebben banen vergelijkbaar met die van OGLE-TR-56b, terwijl andere er 15 jaren over doen. Sommige omloopsbanen zijn bijna cirkelvormig, terwijl weer anderen banen hebben zo excentrisch dat het bijna kometen lijken.

 

Massa en kansen.

De meest intrigerende ontdekking van de studie aan data van planeetproducerende  sterren komt van de massa. Het lijkt dat, hoe massiever een ster is, hoe meer kans op planeten.

 

  • Type M-dwergsterren met massa’s van 1/10e tot 1/3e van onze zon hebben geen planeten.
  • K-sterren met een massa van 30 tot 70% van onze zon hebben 3 tot 4% kans op planeten.
  • G-sterren, zoals onze zon, hebben tot 7% kans op planeten.
  • F-sterren, 30 tot 50% zwaarder dan onze zon, komen uit op 10% kans op planeten.

Nog een selectiepunt: enkelvoudige sterren hebben meer kans op planeten dan meervoudige stersystemen. Binaire sterren en dan zeker de korte binaire stelsels geven planeten geen kans op overleven. De planeten in een dergelijks systeem zullen heel waarschijnlijk weggeslingerd worden. Sommige wetenschappers vermoeden exoplaneten bij bijna alle enkelvoudig sterren.

Tenslotte, de samenstelling van een ster is ook belangrijk.

 

Metaalgehalte van een ster.

 

Al in het begin vermoedde men dat, om planeten te huisvesten, een ster op z’n minst even rijk in complexe atomen moet zijn als onze zon. Deze complexe atomen, zeg maar zwaardere metalen, zijn het resultaat van gevorderde sterevolutie, waarin elke nieuwe generatie haar materiaal afstaat ter verrijking van de nieuwe generatie. Recente ontdekkingen bevestigen deze stelling; na slechts 9 jaren van onderzoek kan men stellen dat 20 tot 30% van alle sterren, vergelijkbaar met onze zon (met een hoger metaalgehalte), planeten onderhouden. Dit percentage hoopt men door verder waarnemingen op te trekken.

 

Waar ga je exoplaneten zoeken?

 

We zagen het al, de beste jachtvelden voor exoplaneten zijn de jonge metaalrijke regionen in de spiraalstelsels. Bolhopen, daarentegen zijn magere jachtvelden. Het ontbreken van stof en gas maken dat er geen vorming van een accretieschijf kan plaatsvinden. Nog meer kans maak je als je gaat zoeken in de rustigere delen van een spiraalarm. Minder massieve sterren kunnen hier rustig planetaire stofnevels uitscheiden, de voedingsbodem voor planetaire stofschijven.

Een ander voordeel in de rustigere gebieden is het ontbreken van massievere sterren in de buurt die door hun aantrekkingskracht een planeet in vorming kan verstoren.

 

De jacht is open.

 

1

Exoplaneten zoeken is een werk van lange adem. Nasa heeft plannen voor diverse planeetzoekers. Eén daarvan is de Keplermissie, te lanceren in 2007. Kepler gaat kijken naar transits en heeft meer dan 100.000 sterren op haar waarnemingsprogramma.

Een andere missie in 2009 is de Space Interferometry Mission, bedoeld om de 100 meest nabije sterren te bestuderen, op zoek naar aardachtige planeten. In 2014 start men het tweedelige Terrestrial Planet Finder, het meest ambitieuze project van allen. TPF zal binnen een straal van 45 lichtjaren het zwakke licht van aardachtige planeten analyseren.

Tot nu toe zijn er nog geen aardachtige planeten ontdekt, maar dat kan enkele een kwestie van tijd zijn. Men vindt zoals gewoonlijk eerst de reuzen, dan pas de kleintjes.

 

In 2009 gaat Nasa een ander ruimtetuig lanceren. Het is de Space Interferometry Mission.Dit tuig gaat cyclische schommelingen van sterren bestuderen en proberen af te leiden of er hemellichamen in omloop zijn. Een gedeelte van de Terrestrial Planet Finder, welke Nasa gaat lanceren in 2014. TPF-C zal in het zichtbare licht planeten gaan zoeken en doet dit door het licht van de nabije ster te blokkeren. De tweede helft van de Terrestrial Planet Finder, de TPF-I gaat men lanceren in 2020. TPF-I gebruikt infrarode interferometrie bij die objecten die TPF-C en anderen eerder ontdekt hebben. De Darwin-missie van ESO heeft sterke gelijkenis met de TPF-I-missie van Nasa. De Terrestrial Planet Finder bestaat uit twee, elkaar aanvullende, observatoria, een zichtbaar licht-coronograaf  te lanceren in 2014.

Bovenste afbeelding is de TPF-C, de onderste is de TPF-I.

De tweede module, de TPF-I, is een infrarood interferometer en zal men lanceren voor 2020.Een combinatie van spiegels brengt alle lichtstralen in een enkel punt. Net zoals de grote radiotelescopen op aarde maak men hier gebruik van apertuursynthese (samenwerken) om een hoge resolutie te verkrijgen.

 

Verborgen planeten.

Astronomen ontdekten de gloed van twee “hete”Jupiters met de Spitzer Space Telescope. De sterren waar deze planeten omcirkelen overstralen de planeten, maar ze zijn detecteerbaar door hun heldere infrarode gloed, een deel van het spectrum waar sterren zoals onze zon, minder energie uitzenden. Door deze specifieke golflengte te gebruiken kan men het licht van de ster zodanig dimmen dat de planeten zichtbaar worden.

Exoplaneten, zoals planeten buiten ons zonnestelsel heten, worden wel vaker gevonden. Meestal zijn het gasreuzen, groter nog dan Jupiter, die in krappe baantjes rond hun ster draaien. Ze heten daarom 'hete Jupiters'. Ze verraden zich doordat hun bewegingen kleine schommelingen in de baan van de ster veroorzaken. Die uiten zich als kleine verschuivingen in spectraalopnamen van de ster. Ook kan de aarde tegen het omloopvlak van zo'n planeet aankijken. Als dat zo is, trekt de planeet regelmatig voor zijn ster langs. Eventjes wordt de ster daardoor wat zwakker – en dat verraadt de planeet.

Er zijn momenteel 135 exoplaneten met zekerheid geïdentificeerd, maar de meeste zijn “hete Jupiters”.Hun massa gelijk die van Jupiter, soms groter, en hun banen zitten heel kort op de ster. De ontdekking van exoplaneten met massa’s vergelijkbaar met Neptunus brengen de waarnemers in een transitzone op weg naar het ontdekken van aardachtige planeten. Hogere resolutie zal zeker nodig zijn om deze barrière te doorbreken.

 

Exo-Neptunussen.

 

De samenstelling van Neptunusachtige planeten is onbekend. De planeten kunnen gasreuzen zijn, net als onze Jupiter en Saturnus en net als bijna alle bekende exoplaneten, tot nu toe.

Maar met een massa, in de buurt van Neptunus rijzen er nieuwe mogelijkheden. De planeten zouden een rots- of ijsachtige kern kunnen hebben met daarboven een dikke laag waterstof en helium, net als Uranus en Neptunus. Het zou ook kunnen dat deze planeten massieve brokken van rots en ijzer zijn, net als Mercurius.

 

Gliese 436, een rode dwerg.

 

Juli 2003. Astronomen ontdekken een eigenaardige wobbeling in de baan van Gliese 436, een rode dwerg. Gliese 436 ligt in het sterrenbeeld Leeuw op een afstand van 33 lichtjaar. Het spectrum van deze koele, lage massa-ster toonde aan de zwaartekracht van een ongezien object een lichte wobbeling veroorzaakte in de omloop van de ster. Gliese 436 heeft ietwat minder dan de helft massa van onze zon en is meer dan 3 miljard jaren oud. Een andere Neptunusachtige planeet zit in omloop rond de ster 55 Cancri. De planeet heeft ongeveer 18 x de aardmassa en, rekening houdende met de drie voorheen ontdekte planten rond deze ster, is de eerste bekende ster die 4 planeten herbergt. De drie voorheen ontdekte planeten omcirkelen de ster in respectievelijk 15 dagen, 44 dagen en 12,3 jaren. Aan de andere kant, na de ontdekking van enkelvoudige planeten rond een ster, komt men nu meer en meer aan tot het ontdekken van ganse planetenstelsels, vergelijkbaar met de negen (?) planeten rond onze eigen zon.

 

Voorheen vertelden we dat je best exoplaneten kan zoeken in de rustige gedeelten van de spiraalarmen, waar genoeg gas en stof voorhanden is. Maar….. er zijn altijd uitzonderingen. Ook hier!We gaan een pulsar in een stokoude bolhoop bekijken. Kan het nog exotischer? In M4, een bolvormige sterrenhoop op 5600 lichtjaar van de aarde, is het druk.  Zo'n 100.000 sterren bewegen er door elkaar heen. Dit soort sterrenhopen zijn erg oud – ouder dan onze eigen zon en aarde en vormen dus mooie overblijfselen van het vroege heelal. In 1988 werd in M4 een pulsar onderzocht, die tien keer per seconde rond zijn as draait. In die tolbeweging zat een kleine variatie, een teken dat de pulsar een partnerster had. Die werd ook gevonden: een witte dwerg begeleidt de pulsar door de ruimte. Maar toen werd er een variatie in de variatie gevonden. Drie sterren bij elkaar? Of een planeet? Tien jaar lang werd er tevergeefs gezocht naar de derde partner in het systeem. Nu heeft met behulp van de Hubble ruimtetelescoop de schommelingen in pulsar PSR B1620-26 goed in kaart gebracht. Door de massa van de witte dwerg te schatten konden ze bepalen hoe die rond de pulsar draait. Dat gaf genoeg informatie over het stelsel om ook de baan en massa van de derde partner te berekenen. Het resultaat – 2,5 keer de massa van Jupiter in een omloopbaan van een eeuw – wijst duidelijk op een planeet. Een bolvormige sterrenhoop is niet echt gastvrij terrein voor planeten. Tenminste, dat dachten sterrenkundigen tot voor kort.

 

Deze satellieten van onze melkweg bevatten een paar duizend sterren en zijn gevormd toen het heelal nog erg jong was. Toen waren er nog niet veel zware elementen gevormd in supernova's. Om planeten te krijgen, nam men aan, heb je zware elementen nodig. Geen kans, in een bolhoop. Ook nog eens niet, omdat de sterren in een bolhoop erg dicht op elkaar staan.

Ze trekken en duwen aan elkaar, en een planeet zou in zo'n omgeving heel makkelijk uit zijn baan worden gestoten. Die aanname is nu onderuit gehaald – tijd om de theorieën eens goed onder de loep te nemen, dus! De gasreus in M4 is een teken dat planeten zich op de meest vreemde plekken kunnen vormen. De zoektocht naar aardachtige planeten krijgt zo extra impuls: als we zelfs planeten zien rond de dode resten van twee sterren, moet een balletje steen rond een gele dwerg toch geen probleem zijn?

 

Het kón eigenlijk niet, een planeet middenin de bolvormige sterrenhoop M4. Toch is hij gevonden, de planeet die rond twee uitgebrande sterren draait. Het is volgens sterrenkundigen de oudste van onze Melkweg en vormt ook een uitdaging voor theoretici. Want hoe kon een planeet zich dáár vormen? Het blijft ons verbazen!!

LBe

Absorbsiespectrum van 51 Pegasi.

01:27 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

28-01-06

Januari 2005: De schaal van Richter door Jan Hermans.

De schaal van Richter.

 

De schaal van Richter is een manier waarmee de kracht van een aardbeving wordt waargenomen. De schaal is opgesteld door de Amerikaanse seismoloog Charles Francis Richter in 1935. Het is een logaritmische schaal van de sterkte van de trillingen, zoals die gemeten worden op het seismogram.

De sterkte wordt berekend aan de hand van de maximale uitslag (amplitude) van de registratie van de horizontale component van de aardbeving. De sterkte wordt de magnitude genoemd, analoog aan het begrip uit de sterrenkunde om de helderheid van een ster aan te geven. Richter definieerde een aardbeving met magnitude 3 als een aardbeving die op een Wood-Anderson seismograaf een uitwijking van 1 mm opwekt op een epicentrale afstand van 100 km. De schaal is logaritmisch, wat betekent dat bij toename van 1 magnitude-eenheid de uitwijking op het seismogram tien keer zo groot is. Zo is een aardbeving die op 100 km afstand een uitwijking van 10 mm veroorzaakt een beving met magnitude 4. Op deze manier kon Richter verschillende aardbevingen met elkaar vergelijken. Er worden correcties toegepast om de invloed van de afstand tussen epicentrum en seismisch station in rekening te brengen. Met het toenemen van de afgelegde afstand verliezen de seismische golven door geometrische spreiding en absorptie een deel van hun trillingsamplitude.

Een aardbeving van magnitude 2 op normale diepte kan onder optimale omstandigheden nog net worden gevoeld. De zeer ondiepe bevingen in Noord-Nederland (tot maximaal 3 kilometer diep) kunnen al bij een magnitude van 1,2 worden gevoeld. In Zuid-Nederland komen bevingen voor op een diepte van 30 kilometer die pas worden gevoeld bij een magnitude groter dan 3.

Het cijfer op de schaal van Richter geeft een indicatie van de sterkte van de schok, de bijbehorende omschrijving geeft een indicatie van de gevolgen van de schok.

1  

Alleen meetbaar door instrumenten

2

Nauwelijks meetbaar, zelfs in de nabijheid van het epicentrum

3

Wordt gevoeld binnenshuis

4

Waarneembaar door de meeste mensen, weinig schade

5

Gevoeld door de meeste mensen, kleine tot gemiddelde schade

6

Gemiddelde schade

7

Grote schade

8

Totale vernietiging

In de loop van de jaren zijn er verschillende andere magnitudeschalen ontworpen die allemaal een aanpassing of uitbreiding zijn van de magnitudeschaal van Richter. Voor aardbevingen die zwaarder zijn dan 6,5 en aardbevingen die verder weg zijn dan 500 km is de schaal van Richter niet erg betrouwbaar meer. Boven magnitude 6,5 wordt de magnitude door de schaal van Richter vaak te laag berekend. Dit wordt verzadiging genoemd. Omdat de schaal van Richter als referentie een aardbeving op 100 km afstand gebruikt, wordt hij onnauwkeurig als de beving veel verder weg is.

Proefondervindelijk heeft men berekend dat iedere toename met één magnitude-eenheid overeenkomt met een 30-voudige verhoging van de vrijgekomen energie in de vorm van seismische trillingen optreedt. De hoeveelheid energie die vrijkomt bij een beving van magnitude 7 is dus 900 maal (30 x 30) zo groot als die welke vrijkomt bij een beving van magnitude 5. De energie die bijvoorbeeld vrijkomt wanneer een massa van 1 ton vanaf 100 meter hoogte op de grond valt is te vergelijken met de sterkte van een beving met magnitude 1

De intensiteitsschaal van Mercalli is een schaal om de sterkte van aardbevingen uitdrukken.

De gevolgen van een aardbeving worden weergegeven met de schaal van Mercalli. De schaal geeft de intensiteit van de optredende trillingen weer. Deze trillingen zijn de directe oorzaak van schade. De intensiteitsschaal van Mercalli is in 1902 ontworpen door de Italiaan Giuseppe Mercalli (1850-1914). De intensiteit is een aanduiding voor wat er op een bepaalde plaats wordt waargenomen van een aardbeving, dus wat de effecten zijn op bijvoorbeeld mensen, voorwerpen, gebouwen en het landschap. De intensiteit is afhankelijk van de afstand tot het epicentrum en van het soort ondergrond. Hoe groter de epicentrale afstand is, hoe minder de grond zal bewegen en hoe kleiner de schade, dus hoe kleiner de intensiteit. Maar de intensiteit kan toenemen wanneer de lokale ondergrond de seismische trillingen versterkt, zoals dat het geval was bij de zware aardbeving in Mexico in 1985.

De Mercalli-schaal is verdeeld in 12 delen, aangegeven met Romeinse cijfers. De schaalverdeling loopt van I (niet gevoeld, slechts door instrumenten geregistreerd) tot XII (buitengewoon catastrofaal). De intensiteit is in het algemeen in de directe omgeving van het epicentrum groter dan op plaatsen verder daar vandaan. Als de intensiteit dichtbij het epicentrum van een aardbeving bijvoorbeeld VIII bedraagt, zal deze in relatie tot de afstand afnemen tot IV, III en tenslotte I.

I

Niet gevoeld, slechts door seismometers geregistreerd

II

Nauwelijks gevoeld, alleen onder gunstige omstandigheden gevoeld.

III

Zwak, door enkele personen gevoeld. Trilling als van voorbijgaand verkeer.

IV

Vrij sterk, door velen gevoeld. Trilligen als van zwaar verkeer. Rammelen van ramen en deuren

V

Sterk, algemeen gevoeld. Opgehangen voorwerpen slingeren. Slapende mensen worden wakker.

VI

Lichte schade. Schrikreacties. Voorwerpen in huis vallen om. Lichte schade aan minder solide huizen.

VII

Schade Paniek. Schade aan veel gebouwen. Schoorstenen breken af. Golven in vijvers. Kerkklokken geven geluid.

VIII

Zware schade. Algehele paniek. Algemene schade aan gebouwen. Zwakke bouwwerken gedeeltelijk vernield.

IX

Verwoestend. Veel gebouwen zwaar beschadigd. Schade aan funderingen. Ondergrondse pijpleidingen breken.

X

Buitengewoon verwoestend. Verwoesting van vele gebouwen. Schade aan dammen en dijken. Grondverplaatsing en scheuren in de aarde.

XI

Catastrofaal. Algemene verwoesting van gebouwen. Rails worden verbogen. Ondergrondse leidingen vernield.

XII

Buitengewoon Catastrofaal. Algemene verwoesting. Verandering in het landschap. Scheuren in rotsen. Talloze vernielingen

Deze schaal is in 1964 voor Europa aangepast en wordt aangeduid als de MSK-intensiteitsschaal, genoemd naar de ontwerpers Medvedev, Sponheuer en Karnik. Inmiddels hanteert men in Europa sinds 1992 een Europese Macroseismische Schaal (EMS92). Voor aardbevingen in Nederland is de maximaal te verwachten intensiteit VII à VIII. Dit geldt met name voor het zuidoosten van het land. De beving bij Roermond op 13 april 1992 bereikte een waarde van ruim VII.

Het verschil tussen de intensiteitsschaal van Mercalli en de magnitude schaal van Richter

Tussen de intensiteit en de magnitude van een aardbeving bestaat een duidelijk verschil. De intensiteit van een beving is afhankelijk van de plaats van waarneming. Daarentegen is de magnitude volgens de schaal van Richter onafhankelijk van de plaats op aarde waar deze wordt berekend en dus karakteristiek voor de kracht van de aardbeving zelf. Zo heeft een krachtige aardbeving op grote diepte een relatief geringe intensiteit aan het aardoppervlak, echter wel verspreid over een groot gebied. Anderzijds kan een zwakke aardbeving een hoge intensiteit bereiken wanneer deze op geringe diepte plaatsvindt.

Met dank aan Berke en Jan voor het presenteren van deze materie en de aanwezige groep voor de interactie.                                                                                                                                     LBe

17:10 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Januari 2006: Tektonische gedragingen van de aarde

De tektonische gedragingen van de aarde.

 

 De aardkorst (lithosfeer) bestaat uit een aantal bewegende platen, die voortdurende botsen en weer uit elkaar drijven. Totaal zijn er 21 platen, negen grote en een twaalftal kleinere. De zes continenten liggen op 6 grote platen, we noemen deze platen continentale platen. De overige platen zijn oceaanplaten en vormen het grootste deel van de oceaanbodem. De studie van de platentektoniek helpt de continentendrift,de groei van de zeebodem, vulkaanuitbarstingen en de vorming van bergen te verklaren. De kracht achter de beweging van de tektonische platen is waarschijnlijk de langzame, kolkende beweging van de mantel, waarin het gesteente omhoog wordt gestuwd door de hoge temperaturen en dan weer zakt door afkoeling. Deze cyclus duurt miljoenen jaren.

 

Het verschuiven van de platen is een nimmer aflatend proces. Het is al miljoenen jaren bezig en zal steeds bezig blijven. Energie van deze “convectie-motor” is het radioactieve verval en de chemische reacties, diep onder onze voeten. Als je goed naar de wereldkaart kijkt kan je zien dat de continenten perfect in elkaar passen. Door continentendrift worden de onderlinge afstanden jaarlijks groter.

 

Daar waar platen uit elkaar drijven (divergerende platen), komt er magma omhoog en stolt als lava. Hierdoor groeit er nieuw materiaal aan de betreffende platen. Op deze manier worden oceaanplaten gevormd. De plaats waar dit gebeurd noemt men oceaanruggen. Oceaanruggen zijn zelden hoger dan 1500 m, maar kunnen zich meerdere duizenden kilometers ver wegslingeren oven de oceaanbodem. Deze gebieden zijn heel vulkanisch en aardbevingsgevoelig.

 

Op veel plaatsen komen de enorme platen van het aardoppervlak langzaam naar elkaar toe (convergerende platen) met een enorme en onvoorstelbare kracht. Soms wordt de rand van de botsende plaat geleidelijk aan vernietigd door de kracht van de botsing. Maar soms rimpelt de rand van de plaat, waardoor bergen ontstaan. Als bij een botsing tussen twee platen, de ene onder de andere gedwongen wordt, noemen we dit subductie. Wanneer een zware oceaanplaat botst met een lichtere continentale plaat leidt dit meestal naar een eilandenboog. We bekeken de landkaarten en vonden enkele heel prominente eilandbogen op de randen van botsende platen.

 

Als continentale platen botsen, splitst één van de platen in twee lagen. Een onderlaag van dicht mantelgesteente en een bovenlaag van licht korstgesteente. Het splitsen van deze lagen resulteert in zeg maar “opfrommelen” van de bovenste laag in gebergtes. Een voorbeeld hiervan zijn de Alpen. Het is een opgeplooid gebergte.

 

De korst ligt boven op de mantel en is relatief dun en drijft op de zachtere, dichtere mantel. De oceanische korst is ca 10 km dik en de continentale korst is gemiddeld 30 km dik. Als je de wereldbol bekijk zie je dat 71 % bedekt is met water, de overige 29% is land, onderverdeeld in de 6 continenten. De aardkorst is het dikst onder deze continenten. Op plaatsen tot 70 km dikte. Met 3.8 miljard jaren ouderdom is dit materiaal ouder dan de oceaanplaten.

 

De korst op zich heeft geen invloed op de aarde, behalve dat ze voortdurend in beweging is onder invloed van de convectiestroming, diep in de aarde opgewekt door de warmte. Door deze verschuivingen van de platen ontstaan aardbevingen en kunnen op zwakke plekken van de aardkorst vulkanen optreden. Het nimmer aflatende proces van schuiven en botsen hebben een geologische diversiteit als gevolg. Een diversiteit die ook het leven op aarde bepaald. We leven in rustige gebieden, dan wel in gevaarlijke gebieden. We dienen ons te schikken naar de geologische omstandigheden. Een huis in de polders bouwen is iets heel anders dan een huisje opzetten in de bergen. Daar waar platen botsen of naast elkaar opschuiven is een verhoogd risico op vulkanen. Het hete opgestuwde materiaal (convectie) vreet een weg doorheen de plaatselijk zwakkere korst en vormt vulkanen. We kennen de destructieve kracht van vulkanen.  Het hete migma van de mantel stuwt omhoog, komt als magma uit een kratermond en stolt als lava.  We kennen drie soorten vulkanen, de actieve vulkanen die jarenlang redelijk rustig blijven om dan ineens uit te barsten. Het tweede type zijn de slapende vulkanen. Deze zijn eeuwenlang stil en komen dan plotseling tot een zware uitbarsting. Het derde type is de uitgedoofde vulkaan. Deze vulkanen liggen zo lang stil dat de onderkant van de aardkorst zodanig is aangegroeid dat het migma er niet meer doorheen kan.

 

In de buurt van tektonische platen komen we verschillende soorten vulkanen tegen. Er zijn spleetvulkanen, schildvulkanen, koepelvulkanen, slakkenkegels, samengestelde vulkaan en calderavulkanen. Een ander voorbeeld zijn de hot spots, een zeer hete brandhaard die door de aardkorst branden terwijl de continentendrift de betreffende plaat continue in beweging blijft houden. Het gevolg is dat je een boog van vulkanen krijgt. Voorbeelden hiervan kan je zien in Hawaii en Japan.

 

Andere vormen van vulkanisme kan je zien bij geisers. De geothermische warmte brengt waterhoudende grondlagen aan de kook en met tussentijden zijn er ontladingen. Water kan opspuiten tot 50 meter hoogte.

 

De mantel is de laag die om de kern van de aarde ligt. Met een dikte van 2900 km en een temperatuur van  3000º C. De binnenmantel ligt tussen de 300 km en 2890 km diepte. Hoewel de gemiddelde temperatuur daar rond de 3000°C ligt is het gesteente toch vast, dat komt door de hoge druk. De binnenmantel bestaat waarschijnlijk voor het grootste gedeelte uit sulfides en oxydes van silicium en magnesium. De dichtheid ligt tussen de 4,3g/cm³ en 5,4g/cm³.

De buitenmantel is een stuk dunner dan de binnenmantel. Hij ligt namelijk tussen 10 km en 300 km diepte. De buitenmantel kun je  weer onderscheiden in twee verschillende lagen. De onderste laag is taai vloeibaar gesteente, en bestaat waarschijnlijk uit silicaten van ijzer en magnesium. De temperatuur ligt in dit gedeelte tussen de 1400°C en 3000°C, en de dichtheid ligt tussen de 3,4g/cm³ en 4,3g/cm³. De bovenste laag van de buitenmantel bestaat uit hetzelfde materiaal maar is door de lagere temperatuur stijf. Omdat de Aarde van binnen enorm heet is, ontstaat er een warmte stroming vanuit de kern naar de korst. Dit noemt men convectie stroming en deze vindt ook in de mantel plaats. Deze stroming koelt af naarmate zij dichter aan het aardoppervlak komt. Daardoor neemt de stijging van de stroming af en beweegt zich in horizontale richting langs de onderkant van de korst. Als zij nog verder afgekoeld is, daalt de convectie stroom weer en gaat  terug naar het binnenste van de aarde. Daar stijgt de temperatuur weer en stijgt de stroming opnieuw. Zo stroomt de materie de hele tijd rond.

Een aardbeving is in feite niet meer dan het schudden van de grond, ontstaan door plotselinge bewegingen in de aardkorst. De grootste aardbevingen worden veroorzaakt door beweging van de tektonische platen. Sommige platen schuiven zachtjes langs elkaar, maar andere kunnen een grote druk op de gesteenten veroorzaken, zodat deze uiteindelijk breken en langs elkaar schuiven. Hierdoor ontstaan trillingen of schokgolven die door de aarde gaan. Het zijn deze trillingen, ook wel seismische golven genoemd, die een aardbeving veroorzaken. Hoe dichter een plaats op de aardbodem bij de oorsprong (de haard of het hypocentrum) van de beving ligt, hoe meer schade er ontstaat.
Aardbevingen worden ingedeeld volgens de diepte van de haard: 
Hoe dichter de haard aan het aardoppervlak ligt, hoe zwaarder de beving is. De beving is altijd het zwaarst recht boven de haard. 

Over het algemeen worden grote bevingen vooraf gegaan door kleinere trillingen (voorschokken). Na de hoofdschok zijn er nog naschokken die soms maandenlang kunnen aanhouden. De naschokken ontstaan ook als de gesteenten zich terug gaan zetten. We bespraken welke golven van toepassing zijn en met dit item nam Jan het woord over met een uiteenzetting over: de schaal van Richter.

17:07 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

December 2005: Gammaflitsen door Jan Hermans.

Gammaflitsen door Jan Hermans.                    

Een gammaflits is een heftige uitbarsting van hoog energierijke gammastraling en duurt van enkele milliseconden tot enkele minuten. Tijdens de flits is de energie uitstoot honderden malen meer dan de straling die afkomstig is van een supernova uitbarsting.

Wat is gammastraling?  Om dit te begrijpen moeten we eerst het verschil tussen de verschillend stralen van het elektromagnetische spectrum bekijken.

 

Zichtbaar licht beslaat maar een piepklein deel van het spectrum; ruwweg het golflengtegebied tussen 350 (violet) en 600 nanometer (rood). Hoe korter de golflengte, hoe meer energie er in elk foton (lichtdeeltje) van de straling zit opgeslagen. Gammastraling is de energiekste straling die er bestaat, radiostraling de zwakste. Eén gammafoton draagt miljoenen malen de energie van een foton zichtbaar licht.

 

Alfa-, bèta- en gammastraling

 

Al in 1899 onderscheidde Ernest Rutherford bij de uraniumstraling "minstens twee" soorten straling: één die makkelijk wordt geabsorbeerd, voor het gemak de 'alfastraling' genoemd, en één met een meer doordringend karakter, de 'bètastraling'. In 1908 kon hij melden (samen met Hans Geiger): "het alfadeeltje is na het verliezen van zijn lading een heliumatoom". De gammastralen zijn in 1903 voor het eerst vastgesteld door Antoine Henri Becquerel. De golflengte van gammastralen ligt beneden de 0,002 nm. (1 nanometer =1 miljoenste mm)
We kennen dus nu drie soorten straling bij radioactiviteit; ze kunnen onderscheiden worden door een magnetisch veld: Alfa-, beta- en gammastraling.
Al deze drie soorten kernstraling zijn gevaarlijk, want ze zijn ioniserend: ze beschadigen dus chemische bindingen en levend weefsel. De alfastraling van het gasvormige radon is gevaarlijk in de longen. De gammastraling is het moeilijkst af te schermen, en vormt het grootste probleem bij het werken met radioactieve stoffen. Ze heeft een heel grote doordringende kracht.  Gammastraling komt vrij bij materiaal dat radioactief is (uranium). Het is ook vaak te vinden in de buurt van kerncentrales of op plaatsen waar een kernexplosie heeft plaatsgevonden                                    

Eind jaren zestig werden enkele militaire kunstmanen gelanceerd met als doel:  het zoeken naar gammastralen voortkomend uit kernexplosies op aarde om op die manier een overzicht te krijgen van het kernarsenaal van de russen. Bij dit onderzoek werd door die satellieten ontdekt dat er ook vanuit het heelal gammastraling op ons afkomt, maar dan vele malen heviger. Waarom is dit niet eerder opgemerkt? Gammastraling vanuit de ruimte kan alleen door satellieten worden waargenomen, omdat deze straling door de atmosfeer wordt geabsorbeerd.

In de jaren zeventig werd geprobeerd met optische middelen de plekken te bestuderen waar de gammaflitsen vandaan leken te komen, maar er werd niets bijzonders waargenomen. Pas in de jaren negentig lukte het om met het Compton Gamma Ray Observatorium beter onderzoek te doen. Een van de instrumenten aan boord van de satelliet was het "Burst & Transient Source Experiment (BATSE)". Daarmee kon heel precies de locatie van de gamma-uitbarstingen worden bepaald. Per dag werden door BATSE twee tot drie gammaflitsen gedetecteerd. Na 9 jaar observatietijd zijn de talloos verzamelde gegevens bestudeerd en waren we in staat om ze in 2 categorieën in te delen: een klasse van kortdurende (minder dan 2 seconden) en een klasse langdurige die enkele minuten kunnen duren. Het belangrijkste resultaat was wel dat gammaflitsers isotroop of uniform over het heelal verdeeld zijn, tot over zeer grote afstanden (miljarden lichtjaren). Dergelijke uitbarstingen moesten daarom afkomstig zijn van hoog energierijke bronnen en waren zeker niet afkomstig van de aarde of de zon. Verder was er nog alle ruimte voor speculaties. Toch bleef er nog een groep wetenschappers die vol hield dat ze zich in een bol om ons Melkwegstelsel bevonden.

Gammaflitsen waren tot nu toe alleen in gamma- en Röntgenstraling waargenomen; met een optisch spectrum zou men de afstand kunnen bepalen. Echter, vrijwel alle waarnemingen van een gammaflits waren qua positie te onnauwkeurig om met een optische telescoop te gaan kijken. Pas in 1997 veranderde dat, toen een nieuwe satelliet was gelanceerd, met aan boord speciale camera's die de positie van een gammaflits wel nauwkeurig kon vaststellen. Sinds de lancering van BeppoSAX zijn zo'n 20 optische tegenhangers van gammaflitsen gevonden, waarbij is gebleken dat ze inderdaad op miljarden lichtjaren staan. Verder is gebleken dat de straling waarschijnlijk in bundels wordt uitgezonden, en dat gammaflitsen mogelijk worden veroorzaakt door de “hyperexplosies” Dit zijn explosies van een heel zware ster of door samensmelting van twee sterren met hele grote dichtheden (twee neutronensterren of een zwart gat en een neutronster).

 

In de recente jaren '90, ontdekten de wetenschappers dat de lange-duur GRB’s voorkomen wanneer een enorme massieve ster instort en een zeer zwaar zwart gat ontstaat, maar zij wisten nog steeds niet wie de korte GRB’s produceerde. Lange GRBs hebben in verhouding lange nagloeitijd die tot vele maanden kan duren, en laten zich vrij goed bestuderen. Korte GRB’s echter gloeien niet na en omdat de uitbarsting gewoonlijk slechts enkele tientallen milliseconden duurt en telescopen en satellieten zich niet snel genoeg in die richting kunnen bewegen, hadden vaak alle opsporingsinspanningen kunnen ontwijken. Zo bleven tot voor 2003 de korte flitsen een mysterie in de astronomie. Pas nadien is meer bekend geworden over de gammaflitsen die al sinds de jaren zestig met satellieten werden waargenomen.

De korte flitsen zijn het resultaat van twee neutronensterren die samensmelten of zwart gat dat een neutronenster op eet, zegt de astrophysicus.

 

Zoals eerder gemeld worden lange flitsen veroorzaakt door hypernova-explosies. Een hypernova is de zwaarste explosie in het heelal op de oerknal na en wordt veroorzaakt door het ineenstorten van een zeer zware ster tot een zeer zwaar zwart gat. De massa van de kern van de ineenstortende ster is meer dan 25 keer die van de zon. Dit soort sterren worden in de astronomie Wolf-Rayet sterren genoemd en de kracht van de explosie is meer dan 100 keer zo groot als die van een supernova.

Wolf-Rayet-sterren zijn vernoemd naar de Franse astronomen Charles Wolf en Georges Rayet, die deze sterren in 1867 ontdekten. Het zijn zware sterren met een massa van meer dan 20-25 zonmassa's, die hun massa snel verliezen door hun zeer krachtige zonnewind. Die zonnewind kan een snelheid van wel 2000 km/sec bedragen. Dit soort sterren verliest jaarlijks een hoeveelheid massa die gelijk staat aan 10-5 (1/100000) zonnemassa's. Ter vergelijking: onze zon verliest jaarlijks een 10-14 (1/10 biljoenste)deel van haar massa. WR-sterren zijn hete sterren. Hun temperatuur ligt tussen 25.000° tot 50.000°. Deze heldere zware sterren zijn vrij zeldzaam, er zijn er tot heden nog slechts enkele honderden van waargenomen. Erg bijzonder aan Wolf-Rayetsterren is hun spectrum. De buitenste lagen van de meeste sterren bestaan uit waterstof en helium, met niet veel meer dan wat sporen van andere elementen. In Wolf-Rayetsterren daarentegen ontbreekt het waterstof vrijwel helemaal en zijn er grote hoeveelheden stikstof en/of koolstof en zuurstof. Tot heden gaat men er van uit dat dit komt doordat Wolf-Rayetsterren in een eerder stadium (wellicht als luminous blue variable) hun buitenste lagen al volledig verloren hebben. Wat wij aan de buitenkant zien, was dus ooit de kern van de ster. Wolf-Rayetsterren zijn aan het einde van hun toch al korte leven, en zullen exploderen in een supernova of hypernova. De zwaarst bekende en tevens helderste Wolf-Rayetster is Suhail al Muhlif, beter bekend als gamma Velorum.

Luminous Blue Variables (Lichtsterke Blauwe Variabelen, afgekort LBV), ook wel S Doradus sterren genoemd, zijn een type van zeer zware, grote sterren (hyperreuzen).Als een ster zijn waterstof door fusie in de kern heeft omgezet tot Helium, zal de kern ineenkrimpen en daarbij heter worden, totdat het heet genoeg is om Helium in Koolstof om te zetten. Tegelijkertijd zetten de buitenlagen van de ster juist uit en worden koeler. Sterren zoals onze zon worden daarbij rode reuzen; zwaardere sterren worden superreuzen. Bij de allerzwaarste sterren (zwaarder dan ca. 40 zonsmassa's) treedt hierbij echter een probleem op: de enorme lichtsterkte van deze sterren zorgt voor een druk naar buiten. Als dergelijke sterren opzwellen, wordt de aantrekking op de buitenste lagen minder. Op zeker moment zijn deze twee krachten met elkaar in evenwicht en worden de buitenste lagen feitelijk geheel niet meer worden vastgehouden. Dit is de Eddingtonlimiet. De ster vertoont kleine helderheidsvariaties op zowel de tijdschaal van enkele dagen, en grotere op een tijdschaal van jaren. Daarnaast zijn er nog perioden van ettelijke jaren waarin deze sterren extra opvlammen en grote hoeveelheden massa uitstoten. De bekendste van dergelijke uitbarsting is die van η Carinae tussen 1837 en 1860. In deze periode was η Carinae ondanks een afstand van meer dan 8000 lichtjaar na Sirius (8lj) de helderste ster aan de hemel. Ook tussen de uitbarstingen door komen er sterke helderheidsvariaties voor op de lange termijn. Men vermoedt echter dat de totale lichtkracht van de ster niet veel varieert in deze periodes. De ster zit echter ingepakt in een 'wolk' van haar eigen uitgestoten gassen. Deze gassen absorberen het sterrenlicht en zenden het ook weer uit, maar vaak op een andere golflengte. Hierdoor kan het voorkomen dat er een kleiner of juist een groter deel van de straling in het zichtbaar licht valt, waardoor de ster zwakker of juist helderder lijkt dan hij in werkelijkheid is.

LBV's behoren tot de meest lichtsterke sterren die bestaan. Een LBV zendt meer dan 100.000 keer zoveel licht uit per tijdseenheid dan de zon. Ze bestaan niet lang, naar schatting maar zo'n 10.000 jaar, en gecombineerd met de a priori zeldzaamheid van superzware sterren maakt ze dat een grote zeldzaamheid.

 

Nieuwe waarnemingen.

De gloednieuwe NASA-satelliet 'Swift', uitgerust met apparatuur om gammaflitsen te meten, werd op 27 december 2004 volledig verblind. Een enorme gammaflits schoot van achteren dwars door de hele satelliet en afscherming naar de gammadetectoren, die gedurende een deel van een seconde totaal verblind werden. Als deze flits in zichtbaar licht was geweest dan zou hij korte tijd helderder zijn geweest dan de volle maan. Het is de helderste gammaflits ooit waargenomen.

Het gammaflitsteam van de Universiteit van Amsterdam onder leiding van professor Ralph Wijers werd onmiddellijk gewaarschuwd. In overleg met medewerkers van de Stichting Astronomisch Onderzoek Nederland (ASTRON) schakelden zij de Nederlandse radiotelescoop in Westerbork in om de naweeën van deze enorme gebeurtenis te bestuderen. Ook vele andere radiotelescopen in de wereld werden ingezet

"Het is een van de meest spectaculaire uitbarstingen die we tot nu toe hebben gezien en dus een extreme test voor ons begrip van deze zeldzame soort sterren," zegt professor Wijers. "Zoveel energie in een keer is zo ongewoon dat zo'n gebeurtenis zich hooguit eens in de 1000 jaar zou kunnen voordoen. Aangezien we pas 30 jaar met gamma-satellieten naar de hemel kijken is het wel heel bijzonder dat wij dit meemaken."

De gammaflits van 27 december was enorm sterk: hij maakte 1039 Joule vrij, 100 keer meer dan de twee eerder waargenomen superuitbarstingen. Waar hebben we het dan over? Onze zon, toch niet veel anders dan een permanente kernexplosie, doet er 150.000 jaar over om zoveel energie uit te stralen. Toch komt dat nog steeds niet in de buurt van de gammaflitsen die een ontploffende reuzenster (hypernova) produceert. Daarbij wordt dan ook een massa ter grootte van de zon compleet in 1 keer in energie omgezet. Hoe weet een bescheiden neutronenster ook maar een miljoenste van die energie te produceren?

Wat bleek toen de radiotelescopen op de heldere plek keken?  De gammaflits kwam uit onze eigen melkweg en was niet veroorzaakt door een ontploffende reuzenster – een zogenaamde – hypernova – maar door de neutronenster SGR 1806-20. "Het is een van de meest spectaculaire uitbarstingen die we tot nu toe hebben gezien en dus een extreme test voor ons begrip van dit zeldzame soort sterren," zegt professor Wijers. Dankzij deze waarnemingen hebben de astronomen het verhaal van een unieke explosie van een heel bijzonder object kunnen achterhalen. De schuldige stond al bekend bij sterrenkundigen onder de naam SGR 1806-20. (SGR staat voor 'Soft Gamma Repeater' (SGR) ofwel zachte gammaflikkeraar). SGR 1806-20 staat op 50.000 lichtjaar afstand in de buurt van het centrum van ons Melkwegstelsel. Van deze 'Soft Gamma Repeater' (SGR) zijn er vijf bekend. Ze worden gekenmerkt doordat ze perioden hebben waarin ze flitsen gammastraling afgeven. Die perioden worden afgewisseld met vele jaren waarin ze geen teken van activiteit vertonen. Een heel enkele keer geven ze een superflits af, die meer dan honderd keer feller is dan de normale flitsen. Tot nu toe zijn er slechts twee van gezien, eentje in 1979 en eentje in 1998. De flits van 27 december is de derde. Hij heeft dezelfde eigenschappen als de vorige superflitsen, maar met een groot verschil: hij is nog eens honderd keer zo sterk.


SGR's zijn een zeldzaam soort neutronensterren. Een neutronenster is het restant van een reuzenster die zich aan het eind van haar leven in een supernova uit elkaar scheurt. De kern stort onder zijn eigen gewicht in elkaar en vormt een bal neutronen van bijna 20 kilometer doorsnede. Een zeer compacte bal materie, zo groot als Brussel maar met evenveel massa als de zon. Deze neutronsterren draaien heel hard om hun as en bereiken daardoor een heel sterk magneetveld. Alleen in de buitenlaag vind je nog normale materie, voornamelijk ijzer. Men noemt het een”magnetar” Een magnetar is een zeldzaam type neutronenster. In onze complete melkweg met zijn vierhonderd miljard sterren zitten maar tien magnetars.

De magneetvelden van magnetars bereiken een kracht van miljarden Tesla. Het aardmagnetisch veld haalt nog geen tienduizendste Tesla en in een laboratorium scheurt een elektromagneet zichzelf uit elkaar als je de veldsterkte boven de 45 Tesla probeert op te drijven. Magnetars zijn de krachtigste magneten in het heelal. Hoe ze precies zulke enorme magneetvelden opwekken is niet duidelijk, maar misschien brengt de waarneming van SGR 1806-20 daar meer helderheid in. Er zijn ruim tien magnetars ontdekt en vijf daarvan zijn SGRs. De energie van de uitbarstingen van een SGR komt uit het sterke magneetveld, dat daardoor elke keer iets zwakker wordt.

"We denken dat de superuitbarstingen van gammaflikkeraars wel wat op zonnevlammen lijken", zegt Wijers. Zonnevlammen zijn explosies op de zon, die heet plasma de ruimte in slingeren. Ze ontstaan als magnetische veldlijnen van de zon in elkaar verstrengeld raken. Die veldlijnen zitten verankerd aan materiaal in de zonneatmosfeer, maar omdat die continu in beweging is, kunnen de veldlijnen in de knoop raken. Daarbij bouwt zich energie op, tot de veldlijnen zich herschikken en de energie plotsklaps vrijkomt.

Hoe weten we dit dan?

"Op een magnetar zit het veel sterkere magneetveld óók vast aan de ster, maar iets sterker aan de korst dan aan de kern." Bewegende veldlijnen zenden elektromagnetische straling uit; bij een magnetar is dat niet anders. Terwijl de ster rondtolt raakt het magneetveld energie kwijt als radiostraling. Die energie moet ergens vandaan komen en wel uit de beweging van de ster. Het voelt alsof de veldlijnen door stroop bewegen en ze willen dan ook afremmen. Door dat remmende effect komt er steeds meer kracht op de 'aansluitpunten' van de veldlijnen te staan.

"De magneetvelden trekken harder aan de korst van de magnetar dan aan de kern en op een gegeven moment barst de zaak", aldus Wijers. Magnetische veldlijnen komen los, herschikken zich en schokgolven trekken door de magnetar. Als de veldlijnen losklappen veroorzaken ze een intense flits gammastraling die een tiende seconde aanhoudt. Daarna volgen een paar honderd seconden met minder intense straling. "In het tweede deel van de uitbarsting zien we een schommeling van het signaal. De meeste straling komt vrij bij de magnetische polen van de magnetar, en die bewegen door de draaiing van de ster ritmisch naar ons toe en van ons af."
Tijdens de uitbarsting slingerde de magnetar ook een hoop materiaal de ruimte in. Dit materiaal verwijdert zich met de enorme snelheid van 100.000 kilometer per seconde, een derde van de lichtsnelheid, van de magnetar. Het is zeer heet en bevat ook magnetische velden. Door de combinatie van magneetveld en heet materiaal zendt het radiostraling uit en dit maakt het mogelijk om m.b.v. de Westerbork Synthese Radiotelescoop en andere radiotelescopen in de wereld metingen aan radiostraling te doen. en het uitgestoten materiaal te zien nagloeien en uitzetten. Zo'n steeds groter wordende wolk heet gas is nog niet eerder bij een gammaflits gezien. Ook is het oplichten van het gas uit de ruimte zichtbaar waar het door het weggeslingerde materiaal wordt geraakt en verhit. Uit de grootte en helderheid van deze radionevel kunnen de astronomen afleiden hoeveel energie er zit in het uitgestoten materiaal. Dit blijkt nog eens zoveel te zijn als in de gammastraling zelf.
De super gammaflits onderscheidt zich ook van de tientallen eerdere gammaflitsen, die in de afgelopen jaren zijn waargenomen. Deze flitsen komen van zeer grote afstanden uit het verre verleden van het heelal. Van een aantal van die flitsen is inmiddels duidelijk dat ze de sterfkreten zijn van zeer zware sterren. Van andere wordt vermoed dat ze veroorzaakt worden door botsende neutronensterren of het opslokken van complete sterren door zwarte gaten.

De super gammaflitser van december is er duidelijk een van een andere orde. Hij komt van een magnetar en staat kosmologisch gezien zo dichtbij, dat het voor het eerst mogelijk is om vele details van de uitbarsting te volgen. De superflits van deze magnetar zou ook wel eens een verklaring kunnen zijn voor een deel van de heel korte gammaflitsen, waarvan de oorsprong tot nu toe een raadsel is. Als zo'n superflits zich in een andere sterrenstelsel voordoet, zouden magnetars in die stelsels wel eens de oorsprong van die korte flitsen kunnen zijn.

 We kennen dus tot nu toe 3 typen sterachtige objecten waarbij gammaflitsen worden opgewekt. Het onderzoek is echter nog geen 50 jaar gaande en gezien de resultaten wordt verwacht dat er op kortere termijn nog erg veel nieuwe informatie te verwachten is .

 

Met dank aan Jan Hermans voor het presenteren van dit thema en de verslaggeving.

 

16:46 Gepost door LBe | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |